Korea

Mongnyǒn, leerling van de Boeddha

In de Wŏrinch’ŏn’gangjigok (Het lied van Maanweerspiegeling in Duizend Rivieren) vertellen de canto’s 500-519 het in Oost-Azië populaire verhaal van Mongnyǒn (Sanskrit: Maudgalyāyana) die zijn moeder uit de hel redt (Mongnyǒn-gyǒng, het Sutra van Mongnyǒn). De proza versie in Wǒrin Sǒkpo 23 is als volgt:

De dood van zijn vader

‘Er leefde eens een huisbezitter in Wangsasǒng (Rajagriha) genaamd Pusang. Zijn huis was vol rijkdommen, zijn landerijen stonden vol kamelen, ezels, olifanten en paarden, zijn (72b) warenhuizen vol brocaat, satijnen weefsels, zijde en parels, en zijn inkomsten waren niet te tellen. Hij zei: “Glimlach altijd, ga niet tegen iemand anders’ wil in, en beoefen altijd de Zes Paramita’s.” Hij werd ziek en stierf, en hij had maar één zoon. Diens naam was Nabok. Hij bleef drie volle jaren bij het graf van zijn vader, ging toen naar huis en sprak tot zijn moeder: “Toen mijn vader leefde waren onze bezittingen niet te overzien. Omdat onze voorraden nu slinken wil ik mijn deel nemen en een tijdje in andere landen handel drijven.”

De zonden van zijn moeder

En hij zond de slaaf Ingni om het geld te halen en dat was drieduizend kwan. Hij verdeelde het in drieën, gaf zijn moeder een deel voor het huishouden, nog een deel voor offers aan de Drie Juwelen en om iedere dag vijfhonderd monniken een maaltijd te verschaffen voor het heil van zijn vader, en nam zelf een deel voor de handel in het Land van Gouden Aarde (Suvarṇabhūmi). Toen haar zoon vertrokken was riep de moeder de slaven bijeen en zei: “Als er een monnik aan de poort verschijnt sla je hem met de zweep weg. Ga nu een heleboel varkens, schapen, ganzen en eenden, kippen en honden kopen met het geld dat mijn zoon voor maaltijden voor monniken bestemd had.” En ze mestte die vet, bond een schaap vast, hing die op en sneed de keel door. Ze ving het warme bloed op. En ze bond een varken vast en sloeg die met de zweep en er kwam geen eind aan het gegil. Toen sneed ze de borst open, haalde de ingewanden er uit en offerde die blijmoedig aan de geesten.

De terugkeer van Nabok

Nabok dreef drie jaar lang handel met zijn duizend kwan en maakte er drieduizend van. Toen keerde hij naar zijn vaderland terug. Op ruim een dag reizen van zijn huis rustte hij uit onder een wilgeboom ten westen van de stad. Hij stuurde Ingni eerst met een boodschap naar zijn moeder: “Als blijkt dat mijn moeder goede werken heeft verricht zal ik met dit geld voor haar zorgen, maar als blijkt dat ze slechte daden heeft verricht, zal ik met mijn eigen geld voor haar bestwil offers brengen.” Dus ging Ingni naar het huis en een man met de naam Kŭmji zag hem al van verre. Hij ging snel naar binnen en vertelde de moeder: “Uw zoon komt er aan.” De moeder vroeg: “Hoe weet je dat?” Antwoordde hij: “Ingni komt naar de poort, dus dan weet ik dat uw zoon er aan komt.” De moeder zei: “Doe de poort goed  dicht en laat die slaaf niet naar binnen.” En ze haalde vlaggen en banieren uit het pakhuis en zette ze op in de Oostelijke Hal achter het huis en liet het lijken alsof ze monniken op een maaltijd had onthaald. Toen pas opende ze de poort en liet Ingni binnen en zei: “Sinds mijn zoon met jou was  vertrokken, bleef ik thuis and verschafte iedere dag vijfhonderd monniken een maaltijd. Als je dat niet gelooft moet je kijken naar het terrein voor de Oostelijke Boeddha Hal achter ons huis, waar de monniken hun maaltijd genoten.” Dus ging Ingni kijken, en daar lagen overal lepels en eetstokjes, de lucht was vermengd met wierook en het leek of niet alle kommen verzameld waren. Ingni ging snel terug en vertelde Nabok: “Je moeder is niet zo maar iemand. Ze heeft thuis iedere dag vijfhonderd monniken eten verschaft.” Nabok vroeg: “Hoe weet je dat?” “Toen ik daar kwam,” antwoordde hij, “lagen overal lepels en eetstokjes, de lucht was vermengd met wierook en de eerwaarde monniken waren weg, maar niet alle kommen waren gewassen.” Toen hij dit hoorde verheugde Nabok zich en boog van verre ter aarde in de richting van zijn moeder, meer dan duizend keer. Op dat moment kwamen mensen van een naburig dorp, die gehoord hadden dat Nabok terug was, buiten de stad naar hem toe en vroegen: “Jongeman! Er staat geen Boeddha voor jou of een monnik achter je dus voor wie ben je aan het buigen?” Nabok sprak: “Ik buig omdat ik vernomen heb hoe mijn moeder thuis offers heeft gebracht aan de Drie Juwelen en iedere dag vijfhonderd monniken een maaltijd heeft verschaft.”

De dood van zijn moeder

Toen zeiden die mensen: “Sinds jij weg was, heeft je moeder iedere monnik die ze bij haar huis zag met de zweep gegeven, en met het geld dat jij voor de monnik’s maaltijden had bedoeld heeft ze een heleboel varkens, schapen, ganzen en eenden, kippen en honden gekocht, en als ze een schaap goed had vet gemest, hing ze die op en sneed de hals door en ving het warme bloed op, en ze bond een varken vast en gaf hem met de zweep en stopte hem in zijn geheel in een pot kokend water, en aan het gegil kwam geen einde. Dan sneed ze de borst open, haalde de ingewanden er uit en offerde die blijmoedig aan de geesten.” Na dit verhaal viel Nabok ter aarde en bloed vloeide uit al zijn poriën. Hij verloor het bewustzijn. Na een tijdje kwam zijn moeder haar zoon begroeten en zag hem op de grond liggen. Ze pakte zijn hand en zei: “Hoor mijn eed!” En sprak: “De wateren in een rivier zijn wijd en breed, en over zijn oppervlak gaan de golven. Zij die mensen verder helpen zijn er weinig en zij die van anderen kwaad spreken zijn er vele. Als ik niet voor jou, na jouw vertrek, iedere dag vijfhonderd monniken een maaltijd heb verschaft, moge ik dan, thuisgekomen, heel ziek worden, in een week sterven en in de grote Avici-hel geraken.” Nabok hoorde hoe ernstig de eed was die zijn moeder zwoer, stond op en ging naar huis. Opeens werd zijn moeder ziek en stierf in een week. Nabok begroef haar op een berg, maakte daarnaast een hut van stro en bewaakte vol droefenis drie jaar lang de tombe. Overdag bracht hij aarde om bovenop de tombe te leggen, en ‘s nachts las hij de boeken van het Grote Voertuig, en zijn stem klonk ononderbroken. Een jong hert dat glansde met negen kleuren verscheen, en een witte kraanvogel vertoonde gunstige tekenen, een kraai had bloed in de ogen, en allerlei vogels kwamen met aarde in hun bek en hielpen met de tombe. Nabok vond het prachtig hoe die vogels hem aarde brachten. Hij liet een ambachtsman komen om een Boeddha van aarde te maken. Drie jaar lang bracht hij offers.

Hij wordt een monnik

Toen de rouwperiode voorbij was nam hij afscheid van de tombe en ging naar de Kisagul-berg (Gṛdhrakūṭa; de ‘Gierenpiek’) en ontmoette de Wereld Geëerde. Hij sprak tot Hem: “O Wereld Geëerde, allebei mijn ouders zijn al overleden en ik heb de rouwperiode voltooid, dus ik wil de Boeddha volgen en tot de Orde toetreden. Wat voor verdienste zal daarin zijn?” De Wereld Geëerde sprak: “Het is goed dat je gekomen bent, oh Nabok. Als in dit zuidelijke continent (Jambudvīpa) enige zoon of dochter, mannelijke of vrouwelijke slaaf afstand doet van de wereld en monnik of non onder de Boeddha wordt, dan is dat meer waard dan als er vierentachtig duizend stupa’s (pudo) en pagodes door hen opgericht zijn (pudo betekent ‘pagode’). De ouders zullen in dit huidige leven honderd gezegende jaren genieten en de voorouders van zeven generaties zullen in het Zuivere Land herboren worden. En hoeveel meer als je de bodhi-geest ontwikkelt!” En hij gaf Ananda opdracht zijn haar te knippen, en vervolgens legde de Wereld Geëerde zijn hand op zijn hoofd en voorspelde dat hij een toekomstige Boeddha was en gaf hem een nieuwe naam die luidde ‘Taemokkǒllyǒn’ (Mahamaudgalyāyana) en sprak: “Van mijn Tien Grote Leerlingen zal zijn bovennatuurlijke kracht de grootste zijn.” Mongnyǒn sprak tot de Boeddha: “Oh Wereld Geëerde! Als er een met juwelen bezette grote pagode is, wat zijn de verdiensten?” De Wereld Geëerde zei: “Oh Mongnyǒn! Zelfs als een met juwelen bezette pagode hoog en groot is en de dakranden sluiten aaneen, en zij reikt tot in de Brahma-hemel, als er na honderd jaar regen over het gezicht van de Boeddha lekt, dan heb je voorwaar een misdaad begaan, maar de deugd van het lid worden van onze gemeenschap is als een diamanten lichaam dat nooit slijt.”

Hij zoekt zijn moeder in de hemelen

Mongnyǒn zei: “Ik zou nu graag vertrekken en het Principe van de Weg in de bergen studeren.” Zei de Boeddha: “Als je het Principe van de Weg wilt beoefenen, moet je mijn berg Kisagul opgaan en daar oefenen!” Mongnyǒn zei: “Wat voor voedsel heb ik in de bergen als ik het Principe van de Weg daar studeer?” “In de bergen,” zei de Boeddha, “zijn alleen maar tijgers , wolven en andere beesten. Als het etenstijd is komen zij met wierook en bloemen in hun bek en voeren je daarmee.” Op deze woorden wierp Mongnyǒn zijn voedselkom weg, vloog door de lucht naar de Pinpalla (Vaibhāra)-grot op de berg Kisagul en zat daar in de kabu-zit en hield zijn tong tegen zijn verhemelte. Hij bereikte de paleizen van de Tori-hemel en van de Hwarak (Nirmānarati)-hemel en zag daar alleen zijn vader die hemels geluk genoot, maar niet zijn moeder. Dus keerde hij terug en sprak tot de Boeddha: “Toen mijn moeder nog leefde zei ze tegen mij: ‘Ik heb iedere dag vijfhonderd monniken een maaltijd verschaft.’ Toen stierf ze en zou in het paleis van de Hwarak-hemel herboren moeten zijn. Ik kon haar echter niet vinden in dat paleis, dus waar is zij?” De Boeddha antwoordde: “Toen jouw moeder nog leefde, geloofde ze niet in de Drie Juwelen, ze deed slechte dingen en haar geest was vol wrok en hebzucht en haar misdaden reikten tot de berg Sumi, dus ging ze na haar dood naar de hel en verblijft daar nu.” Na deze woorden viel Mongnyǒn op zijn knieën en weende. Maar toen stond hij op en ging naar de hellen om haar te zoeken.

En hij zoekt haar in de hellen

Hij keek in de hel waar gehakt en geroosterd werd. Levende wezens uit Namyŏmbuje (Jambudvīpa) zaten in een vijzelkom en hun lichamen werden in duizend stukjes gesneden. Hun bloed en vlees leek in bloei te staan. Zij stierven ieder dag duizend maal en werden duizend maal herboren. Bedroefd vroeg Mongnyǒn aan de hellemeester: “Welk slecht karma hebben deze hellewezens in hun vroegere levens gevormd dat zij nu zo lijden?” Deze hellemeester antwoordde: “Dit zijn mensen die tijdens hun leven in Namyŏmbuje allerlei dieren vingen, slachtten en in stukken sneden; die samen zaten, mannen en vrouwen in het rond, en hen opaten terwijl ze uitriepen: ‘Wat is dat lekker!’ Dus zijn ze nu mij in handen gevallen en lijden.” Mongnyǒn ging verder en keek in de hel met het zwaardenwoud (bomen met zwaardbladeren, de Asipattra-hel). Levende wezens uit Namyŏmbuje zaten bovenop dit woud van zwaarden en grepen die vast met hun handen, en elk en ieder kootje werd afgesneden, en ze stapten met hun voeten op de messenberg en duizend kootjes werden afgesneden. Daarom vroeg Mongnyǒn bedroefd aan de hellemeester: “Welk slecht karma hebben deze hellewezens in hun vroegere levens gevormd dat zij nu zo lijden?” En hij antwoordde: “Dit zijn mensen die tijdens hun leven in Namyŏmbuje niet in karma geloofden, dieren aan het spit regen en roosterden, die samen zaten, mannen en vrouwen in het rond, en hen opaten terwijl ze uitriepen: ‘Wat is dat lekker!’ Dus zijn ze nu mij in handen gevallen en lijden.”

Nog meer hellen

Mongnyǒn ging verder en keek in de hel der molenstenen. Zondaren werden tussen twee grote stenen vermalen zodat hun bloed eruit spoot. Op de bedroefde vraag van Mongnyǒn aan de hellemeester antwoordde deze: “Dit zijn mensen die tijdens hun leven in Namyŏmbuje onophoudelijk mieren en andere insecten doodden. Dus zijn ze nu mij in handen gevallen en lijden.” Mongnyǒn ging weer verder en zag een groep hongerige geesten, met hoofden zo groot als bergen en buiken als de berg Sumi maar met nekken zo dun als naalden, en als ze liepen klonk het alsof vijfhonderd voertuigen uit elkaar vielen. Mongnyǒn vroeg de hongerige geesten: “Welk slecht karma hebben jullie in je vorige levens gevormd?” Zij antwoordden: “Omdat we in ons vorige leven geen voedsel offerden voor de doden en de Drie Juwelen niet hoogachtten, zullen we  gedurende een lange kalpa het woord sojasaus niet horen noch drank of voedsel proeven. Dat is de beloning die we kregen.” Mongnyǒn ging weer verder en keek in de hel met de rivier van loog. Er waren mensen uit Namyŏmbuje in deze loogrivier die op de golven voortdreven. Hun lichamen waren alle verhit en doorgekookt. Zodra ze zagen dat de Oostpoort open ging en ze met water spetterend daarheen snelden, ging de Oostpoort weer dicht. Zodra ze zagen dat de Westpoort open ging en ze met water spetterend daarheen snelden, ging de Westpoort weer dicht. Zodra ze zagen dat de Zuidpoort open ging en ze met water spetterend daarheen snelden, ging de Zuidpoort weer dicht. En zodra ze zagen dat de Noordpoort open ging en ze met water spetterend daarheen snelden, ging de Noordpoort weer dicht. Op deze wijze hadden ze geen rust, zich haastend door de golven. Op de vraag van Mongnyǒn antwoordde de hellemeester: “Dit zijn mensen die in hun vorige leven eieren kookten. Dus zijn ze nu mij in handen gevallen en lijden.” Mongnyǒn ging weer verder en keek in de hel van de kokende ketel. Mensen uit Namyŏmbuje zaten erin en het water kookte hen. Op de bedroefde vraag van Mongnyǒn aan de hellemeester antwoordde deze: “Dit zijn mensen uit Namyŏmbuje die niet geloofden in de Drie Juwelen. Geboren in het huis van een zeer rijke huisbezitter vingen en kookten ze dieren om op te eten. Nu zijn ze mij in handen gevallen en lijden.”

De voorlaatste hel

Mongnyǒn ging weer verder en keek in de hel van de vuurkommen. Mensen uit Namyŏmbuje droegen vuurkommen op hun hoofd en het uiteinde van hun ledematen was helemaal verbrand. Op de bedroefde vraag van Mongnyǒn aan de hellemeester antwoordde deze: “Dit zijn mensen die in Namyŏmbuje smakelijk het merg van beesten aten. Dus zijn ze nu mij in handen gevallen en lijden.” Luid riep Mongnyǒn om zijn moeder: “Toen mijn moeder nog leefde zei ze tot mij: ‘Ik verschaf iedere dag vijfhonderd monniken voedsel’. Toen stierf ze en zou in het paleis van de Hwarak-hemel herboren worden. Maar ik kon haar daar niet vinden dus vroeg ik me af of ze in een hel was. En ook in de hellen is ze niet te vinden!” Toen spraken de veertienduizend helbewakers met ossekoppen tot elkaar: “Daar klonk de stem van een levend wezen bij de voorpoort. Ze hebben zeker uit Namyŏmbuje een zondaar gezonden! We nemen onze harken en gaan hem steken.” Mongnyǒn zat in meditatie voor de poort van de hel en was samadhi ingegaan. Toen de heer der hellen een paar maal had geroepen ontwaakte Mongnyǒn uit zijn meditatie en hij vroeg: “Wat bent u voor iemand, heer, dat u hier voor onze poort van de hel bent gekomen?” Mongnyǒn antwoordde: “Weest u niet boos op me. Ik kwam mijn moeder zoeken.” Hij vroeg: “Wie zei dat uw moeder hier is?” Hij antwoordde: “Dat zei Sǒkkamuni Boeddha.” Hij vroeg: “In wat voor relatie staat u tot de Sǒkkamuni Boeddha, heer?” Hij antwoordde: “Hij is de Oorspronkelijke Meester en ik ben zijn leerling Taemokkǒllyǒn.” Toen ze dit hoorden maakten de helbewakers een buiging, legden hun harken neer en maakten meer dan duizend maal een kowtow terwijl ze de lovende woorden spraken: “Hoe mooi! Hoe mooi! Dankzij ons karma van vandaag ontmoeten we een leerling van de Sǒkkamuni Boeddha !” Ze vroegen: “Wat is de familienaam van uw moeder, heer, en wat haar voornaam? We zullen voor u de hel ingaan en in het archief kijken.” En ze gingen een tijdje naar binnen, kwamen toen terug met de woorden: “We hebben onderzoek gedaan maar de naam is er niet, maar verderop is de Avici-hel.” Mongnyǒn ging verder en zag een grote hel maar de muren waren tienduizend chang hoog, en een zwarte muur ging er tienduizend keer omheen, een ijzeren net was erover gespannen en bovenop stonden vier grote koperen honden die giftig vuur onafgebroken uitademden en de lucht verzengden. Mongnyǒn  riep duizend keer maar er kwam geen antwoord, dus ging hij terug en vroeg de hellemeester: “Verderop is een grote hel maar de muren zijn tienduizend chang hoog, en een zwarte muur gaat er tienduizend keer omheen, een ijzeren net is erover gespannen, en al riep ik duizend keer, er kwam geen antwoord.” De hellemeester zei: “De kracht door de Wet van mijnheer is te klein. Als u die poort wilt openen moet u de hulp van de Boeddha inroepen.”

De laatste hel

Na deze woorden wierp Mongnyǒn zijn kom weg en vloog door de lucht naar de Boeddha. Hij liep drie keer om hem heen en sprak: “Oh Wereld Geëerde! Ik zag een grote hel. De muren waren tienduizend chang hoog, een zwarte muur ging er tienduizend keer omheen, en al riep ik duizend keer, er was niemand die antwoord gaf.” De Boeddha sprak: “Oh Mongnyǒn! Neem mijn staf met de twaalf ringen, doe mijn kasaya aan, pak mijn kom en ga naar die hellepoort. Als je drie maal mijn staf schudt zal de hellepoort vanzelf open gaan en deur en slot zullen vanzelf uiteen vallen. Zodra alle zondaren in de hel het geluid van mijn staf horen, zullen ze allemaal een rustpauze krijgen.” Dus Mongnyǒn deed de kasaya van de Boeddha om, nam zijn staf en ging naar de hellepoort waar hij de staf driemaal schudde. De hellepoort ging vanzelf open en de deur en het slot vielen vanzelf uiteen. Dus ging Mongnyǒn snel naar binnen. De helbewakers duwden hem naar buiten en zeiden: “Wie bent u wel, mijnheer, dat u uit eigen wil deze poort opent? Vele kalpa’s lang kon deze poort niet geopend worden.” Mongnyǒn vroeg de hellemeester: “Als deze poort niet open kan, hoe komen de zondaren dan naar binnen?” De hellemeester zei: “Als mensen van Namyŏmbuje hun ouders niet eren, vele keren de vijf zonden begaan en niet in de Drie Juwelen geloven, zal na hun dood een karmische wind hen ondersteboven hierheen halen, dus komen ze niet door de poort naar binnen.” En hij vroeg opnieuw: “Waarom bent u, mijnheer, hier gekomen?” Mongnyǒn zei: “Ik kwam om mijn moeder te vinden.” De hellemeester vroeg: “U zegt dat uw moeder hier is, maar wie heeft dat gezegd?” Hij zei: “Dat zei Sǒkkamuni Boeddha.” Hij vroeg: “In wat voor relatie staat u tot de Sǒkkamuni Boeddha, heer?” Hij antwoordde: “Hij is mijn Oorspronkelijke Meester.” Hij vroeg: “Wat zijn de familienaam en voornaam van uw moeder, mijnheer? We zullen voor u de hel ingaan en in het archief kijken.” Mongnyǒn zei: “Zij is mevrouw Ch’ǒngjei, echtgenote van de huisbezitter Pusang van Wangsasǒng. Haar familienaam is Yu, en zij is de vierde.”

De moeder wordt geroepen

Dus ging de hellemeester de hel in en riep uit: “Mevrouw Ch’ǒngjei van Wangsasǒng, de vierde van de familie Yu! Voor de poort staat uw zoon die monnik is geworden met de monnik’s naam Taemokkǒllyǒn, leerling van de Boeddha. Wie had dat ooit kunnen denken! Als hij uw zoon is, zult u binnenkort de hel verlaten,” en hij vroeg opnieuw: “Mevrouw Ch’ǒngjei van Wangsasǒng! Waarom antwoordt u niet?” Toen antwoordde een zondares: “Ik kon niet antwoorden uit angst dat u mij naar een nog akeliger plek zou overbrengen. Ik, zondares, heb alleen één zoon, maar die is geen monnik geworden en heet niet Taemokkǒllyǒn.” De hellemeester kwam weer naar buiten en zei: “Daar is een mevrouw Ch’ǒngjei, die zei: ‘Mijn zoon is geen monnik geworden en heet niet Taemokkǒllyǒn.” Mongnyǒn zei: “Het klopt dat u zegt dat zij mij niet kent. Toen mijn ouders nog leefden heette ik Nabok. Pas na hun dood ging ik naar de Boeddha en werd monnik. De Boeddha noemde me toen Taemokkǒllyǒn.” De hellemeester sprak: “Als u er vandaag in slaagt uw moeder te ontmoeten, hoe zult u dan onze gunsten belonen?” Zei Mongnyǒn: “Als ik mijn moeder vandaag ontmoet, zal ik verscheidene bodhisattva’s aanroepen, de soetra’s van het Grote Voertuig reciteren en op die manier uw gunsten belonen.” De hellemeester ging naar binnen en sprak tot de oude dame: “Ik ben blij u te helpen. De persoon voor de poort die u zoekt is echt Nabok.” De moeder antwoordde: “Als dat Nabok is, is hij het kind dat ik ter wereld bracht.” Toen stak de hellemeester haar met zijn hark en zette haar in beweging. De spijkers erin velden haar en bloed vloeide uit al haar haren, toen zwaaide hij zijn zwaard en viel aan en dreef haar zo naar buiten zodat ze tegenover Mongnyǒn kwam te staan. De hellemeester vroeg hem: “Herkent u uw moeder?” Mongnyǒn zei: “Neen.” De hellemeester zei: “Dat ding voor u met een lichaam van vuur is uw moeder, heer.”

Ze verschijnt voor haar zoon

Mongnyǒn besefte dat het zijn moeder was en schreeuwde: “Oh moeder moeder! Toen u nog leefde zei u tegen mij: ‘Iedere dag heb ik vijfhonderd monniken voedsel verschaft, en wierook, bloemen, drank en voedsel in overeenstemming met de Wet’. Na overlijden zou u in de Hwarak-hemel herboren moeten zijn, maar daar kon ik u niet vinden. U zat daarentegen in de hel. Iedere dag  rond etenstijd zorgde ik eerst voor allerlei lekker eten voor u. Maar hoe kan het dat u er zo mager uitziet?” Zijn moeder sprak: “Oh mijn kind! Ik was bang dat ik jou lange kalpa’s niet zou zien. En nu staan we tegenover elkaar voor de hellepoort! Ik lijd in de hel door mijn zonden. Als ik honger heb slik ik klompen ijzer door en als ik dorst heb drink ik water met gesmolten koper.” Ze kon niet verder spreken en helbewakers doorstaken haar met lange spijkers en bakten haar ingewanden. De zondaren in de hel zeiden tot elkaar: “Een andere moeder en zoon kunnen elkaar ontmoeten, dus waarom kunnen wij niet naar buiten?” De hellemeester zei tot Mongnyǒn: “U kunt niet zo lang met uw moeder praten, heer. Het is tijd geworden voor haar bestraffing. Als u haar niet laat gaan zal ik de punten van mijn hark aanscherpen, haar doorboren en zo met me meenemen.” Dus liet Mongnyǒn haar gaan. Zij werd naar binnen gedreven en riep uit: “Oh mijn zoon! Ik ben zo bedroefd! Red me hoe dan ook!” Met zijn linkervoet binnen de poort en rechtervoet erbuiten hoorde Mongnyǒn haar gejammer en sloeg met zijn hoofd tegen een pilaar totdat die gekleurd was door bloed en huid. Hij sprak tot de hellemeester: “Ik wil de hel binnengaan en de straf van mijn moeder overnemen.” Zei de hellemeester: “De kracht van uw moeder’s karma is sterk en niet met u verbonden, heer. Als u haar uit de hel wil halen is de enige mogelijkheid dat u met de Boeddha spreekt.”

De Boeddha komt weer te hulp

Toen hij dit hoorde wierp Mongnyǒn zijn kom weg en vloog door de lucht naar de Boeddha. Hij liep drie maal om hem heen en sprak: “Oh Wereld Geëerde. Mijn moeder lijdt als straf in de hel. Wat kan ik doen om haar daaruit te krijgen?” De Wereld Geëerde sprak: “Oh Mongnyǒn! Ik zal je moeder redden.” En hij gaf bevelen aan vele mensen en liet ontelbare monniken, nonnen, upasaka [mannelijke lekenvolgelingen] en upasika [vrouwelijke lekenvolgelingen] rond hem zitten en spreidde zijn cosmos vullend lichaam van Vairocana ten toon – Vairocana heeft tien lichamen: het lichaam van de lagere heilige, het lichaam van de kluizenaar die alleen zijn eigen heil nastreeft, het lichaam van de bodhisattva, het lichaam van de Boeddha, het lichaam van de Wet, het lichaam van de Wijsheid, het verblijf van de levenden, het lichaam van karmische vergelding, het lichaam der levende wezens en Vairocana – . Het was zo hoog als zeven Tāla-bomen. Van tussen zijn wenkbrauwen zond hij een haardun schijnsel in vijf kleuren uit, zette de hellen in een licht en vernietigde ze. IJzeren bedden werden zetels van lotusbloemen, wapenbossen werden ladders van witte jade, de kookpotten vijvers vol hibiscus en lotus, zodat koning Yama vol verbazing sprak: “Prachtig! Prachtig! Ik ga zelf eerbied betuigen en wierook branden. Hoe zou ik niet in de Boeddha geloven?” En hij gaf de helbewakers met ossekoppen bevel alle zondaren vrij te laten om ze in de hemel herboren te laten. En Mongnyǒn vroeg de Wereld Geëerde: “Alle zondaren zijn in de hemel herboren, maar waar is mijn moeder herboren?” De Boeddha zei: “Toen jouw moeder nog leefde waren de wortels van haar misdaad diep en sterk, dus dit obstakel van vorig karma is nog niet uitgeput. Zodoende heeft ze de grote hel verlaten maar is een kleine donkere hel ingegaan. De bodhisattva’s en monniken hebben gegeten, maar zullen jou een kom met overgebleven rijst geven, dus ga jij naar de hel en bied jouw moeder die aan.”

Wedergeboortes van de moeder

Mongnyǒn ging met de rijst naar de hel. Toen zijn moeder de rijst zag kon ze haar hebzucht niet overwinnen. Met haar linkerhand nam ze de rijst aan en at ervan, en met de rechterhand hield ze de mensen rondom haar op afstand. Maar de rijst veranderde in haar mond in vuur. Mongnyǒn vroeg de Wereld Geëerde: “Wat kan ik doen om haar uit de Donkere Hel te krijgen?” Deze zei: “Alleen als de bodhisattva’s de canon van het Grote Voertuig op jouw verzoek reciteren, zal ze de Donkere Hel verlaten.” Toen hij dit van de Boeddha hoorde ging Mongnyǒn meteen de bodhisattva’s verzoeken de canon van het Grote Voertuig te reciteren. Dus verliet zijn moeder de Donkere Hel en werd tussen de hongerige geesten herboren. En Mongnyǒn vroeg de Wereld Geëerde: “Waar is mijn moeder herboren nadat ze de Donkere Hel verliet?” De Wereld Geëerde zei: “Zij is tussen de hongerige geesten herboren.” Mongnyǒn sprak: “Mijn moeder heeft lange tijd in de hellen verbleven dus ik zou haar mee willen nemen naar de oever van de Ganges en haar water laten drinken en zo haar binnenkant laten reinigen.” De Wereld Geëerde sprak: “Als de Boeddha’s dat water drinken is het als boter. Als de monniken het drinken is het als zoete dauw. Als mensen van de tien goede eigenschappen het drinken zal het een einde maken aan een hongerige maag of een dorstige keel, maar als jouw moeder het drinkt zal het in een stekende vlam veranderen en haar ingewanden zullen verbranden.” Mongnyǒn vroeg: “Wat kan ik doen om mijn moeder van de hongerige geesten te verlossen?” De Boeddha sprak: “Als de bodhisattva’s op jouw verzoek de negenenveertig lampen ontsteken, de levende wezens bevrijden en spirituele bannieren vervaardigen, zal jouw moeder zich van de hongerige geesten verlossen.” Mongnyǒn  deed meteen zoals de Boeddha had gezegd en zijn moeder werd van haar lichaam van hongerige geest verlost. Toen vroeg Mongnyǒn weer: “Waar is mijn moeder herboren?” En de Boeddha zei: “Oh Mongnyǒn! Het is waar dat je moeder van de hongerige geesten is vertrokken maar ze is herboren als een teef in Wangsasǒng.”

De uiteindelijke verlossing

Na deze woorden betrad Mongnyǒn Wangsasǒng en keek uit naar de hond en riep haar. Toen de hond hem zag rende ze op hem toe en omarmde zijn middel en sprak met droeve stem: “Ik ben je moeder, en jij bent mijn zoon.” Mongnyǒn vroeg: “Hoe zwaar is het te leven als een hond, vergeleken met de hel?” De hond zei: “Het is beter voor mij kalpa’s lang te leven als een hond en de poep van mensen te eten, maar als ik het woord ‘hel’ hoor, wordt ik bang.” Mongnyǒn vroeg opnieuw aan de Wereld Geëerde: “Mijn moeder is nu een hond en lijdt daaronder. Wat kan ik doen om haar te bevrijden van dat hondenlichaam?” De Wereld Geëerde sprak: “Oh Mongnyǒn! Als je maar een uranbun feestmaal houdt op de vijftiende van de zevende maand, zal je moeder bevrijd raken van dat hondenlichaam.” Mongnyǒn vroeg: “Waarom moet het de vijftiende van de zevende maand zijn en niet de dertiende of veertiende?” De Wereld Geëerde sprak: “De vijftiende van de zevende maand is de dag dat de monniken in groten getale terugkomen van de zomerretraite. Vol vreugde komen ze tezamen op een plek. Zij zullen je moeder bevrijden en haar herboren laten worden in het Zuivere Land.” Na deze woorden van de Boeddha kocht Mongnyǒn meteen wilgebladeren en takken van de pijnboom en hield een uranbun feestmaal. En zo schudde zijn moeder haar hondenlichaam af en Mongnyǒn bracht haar voor de Boeddha. Hij liet haar de vijfhonderd disciplinaire voorschriften aannemen en sprak: “Ik wens dat jij, mijn moeder, je slechte gedachten op mag geven en de Juiste Weg mag betreden.” De Hemelse Moeder daalde af om haar te begroeten en zijn moeder werd herboren in het paleis van de Tori-hemel en werd veel geluk deelachtig.