Korea
Het leven van de Boeddha
De Wŏrinch’ŏn’gangjigok (Het lied van Maanweerspiegeling in Duizend Rivieren)
Inleiding
Hoe het boeddhisme van China naar Korea kwam en hoe daar in de loop der tijd Koreaanse werken aan de boeddhistische canon werden toegevoegd, eerst in het Chinees, tot een Koreaanse koning een eigen alfabet ontwierp en daar een creatief gebruik van maakte.
I. Biografieën van de Boeddha
De Boeddha werd geboren in of in de buurt van het tegenwoordige Nepal, maar het grootste deel van zijn tachtigjarig leven bracht hij door in Noord-India. Zijn jaartallen zijn onzeker maar liggen waarschijnlijk in de zesde en vijfde eeuw voor onze jaartelling. Traditionele data, zoals in de Koreaanse Sŏkpo sangjŏl, liggen zo’n vijfhonderd jaar vroeger.
Hij liet geen geschriften na. Hij sprak met zijn volgelingen en anderen over het lijden in het leven en hoe daarmee om te gaan, hoe ‘verdienste’ te verkrijgen en te vermijden herboren te worden op deze aarde. Pas vele jaren na zijn overlijden (of Nirvana) begonnen zijn volgelingen zijn preken (de soetra’s) en levensverhaal uit het geheugen en andere bronnen op te schrijven. Aan de soetra’s werden geleidelijk commentaren en kloosterregels toegevoegd en zo ontstond een omvangrijke verzameling, de Tripitaka (Drie Manden).
In de loop van de eerste eeuwen voor en na het begin van onze jaartelling verspreidde het boeddhisme zich van India eerst naar Centraal-Azië en vervolgens naar China. Onderweg werd de canon van de Drie Manden vertaald in het Chinees en andere talen, een onderneming waar generaties van duizenden vertalers, klerken, nakijkers van uiteenlopende nationaliteiten aan bezig waren. Van de biografieën bv. vertaalde Dharmaraksha, een man van Centraalaziatische afkomst, in het jaar 308 de Lalitavistara in het Chinees: de Pu yao jing (De Soetra van Grote Glorie)1 en de Indiër Jñānagupta de Abhinishkramana sutra als de Fo ben xing ji jing (Verzamelde soetra’s van de daden van de Boeddha) rond het einde van de 6de eeuw2. Aśvaghosha, die in de eerste eeuw van onze jaartelling leefde, schreef een belangrijke biografie, Buddhacarita, die door Dharmakshema in metrisch Chinees werd vertaald. Rond het jaar 420 was het voltooid en kreeg de titel Fo suo xing zan jing (De soetra tot lof van de daden van de Boeddha)3. Veel van deze vertalingen stonden onder invloed van de Chinese smaak en opvattingen van die tijd. Sommige werden meer dan eens vertaald om het origineel beter te benaderen. Intussen veranderde de volgorde der gebeurtenissen in de verschillende werken.
In China werd de latere vorm van boeddhisme, het “Grote Vaartuig” (Mahāyāna), overheersend, die ‘democratischer’ was door te benadrukken dat iedereen verlicht of bevrijd kon worden daar alle levende wezens de Boeddha-natuur bezaten. De oudere vorm, schamper het “Kleinere Vaartuig” (Hinayāna) genoemd, legde de nadruk op bevrijding door streng ascetisme dat maar voor weinigen was weggelegd.
Dankzij de drukkunst met houtblokken die in China in de 8ste eeuw begon, verspreidden de uiteenlopende boeddhistische teksten zich in steeds grotere hoeveelheden over het Chinese rijk en de buurlanden.
II. De glorietijd van het boeddhisme in Korea
Het tijdperk van de Drie Koninkrijken
In de 4e eeuw was het Koreaanse schiereiland verdeeld tussen de drie koninkrijken Koguryŏ, Silla en Paekche en de Kaya federatie. Er woonden ongeveer een half miljoen mensen die vooral van de verbouw van gierst en rijst leefden. Priesters vervulden de religieuze functies zoals in het lentefestival wanneer men bad voor een goede oogst en in de oogstfeesten als men de aardse en hemelse krachten dank betuigde. Overblijfselen van deze vieringen zijn mogelijk nog terug te vinden in de dansen en liederen van de moderne Koreaanse sjamanen.
Monniken uit China brachten de verder ontwikkelde boeddhistische godsdienst naar deze rijkjes, met beelden van de Boeddha, de soetra’s en mondelinge preken. Sundo kwam in 372 uit de Vroege Qin staat naar de noordelijke staat Koguryŏ, en Malananda in 384 uit de Oostelijke Jin naar Paekche in zuidwest Korea. De naam Malananda duidt erop dat hij geen Chinees was. Ze werden welkom geheten door hun gastheren die onder de indruk waren van deze boodschappers van de Boeddha, zoals ze onder de indruk waren van bijna alles wat uit een Chinese staat kwam. Het duurde nog wel honderdvijftig jaar voor deze religie officieel ook in de zuidoostelijke staat Silla werd erkend.
Het ging de Koreaanse heersers waarschijnlijk niet direct om de boeddhistische filosofie. Ze zagen de religie eerder als een bovennatuurlijk middel om hun staat en koninklijke positie te versterken. Staatstempels werden gebouwd waarin men nieuwe vormen van architectuur, beeldhouw- en schilderkunst kon bewonderen. De soetra’s en commentaren stimuleerden de studie van het Chinees en haar schrift, die ook weer van pas kwamen om confucianistische klassieken te lezen en te corresponderen met heersers en geleerden in China. De bezoeken aan de Chinese staten namen toe, niet alleen voor diplomatie maar ook voor handel, studie en om meer soetra’s te verzamelen. Er waren zelfs reizigers die over land of zee naar India, het thuisland van de Boeddha, reisden, en met wat geluk terugkwamen met nieuwe boeken, interpretaties en ideeën die de basis vormden voor nieuwe boeddhistische sekten. In 553 stuurde de koning van Paekche gezanten naar Japan die dat eilandrijk voor het eerst met het boeddhisme kennis lieten maken. Ze brachten boeken, een bronzen beeld en andere zaken mee en een brief van hun koning waarin deze de nieuwe religie hogelijk aanprees. En ook om hulp vroeg tegen de agressie van buurland Silla, maar dat was vergeefs.
Monniken uit Korea bestudeerden niet alleen de soetra’s maar schreven er soms ook hun commentaren op, in het Chinees, want ze kenden alleen het Chinese schrift. Sommigen bleven in China en oefenden daar invloed uit op ontwikkelingen in het Chinese boeddhisme4. Wŏnhyo (617-686) werd beroemd in China en andere landen hoewel hij nooit zijn land verliet. Hij schreef commentaren op o.a. het Lotus soetra en trachtte harmonie te brengen tussen de verschillende sekten. Tijdens zijn leven versloeg Silla Koguryŏ en Paekche en verenigde het schiereiland. En bracht het boeddhisme tot een van haar hoogtepunten. De Pulguk (Boeddha-land) tempel bij de hoofdstad Kyŏngju wordt nog steeds bewonderd evenals de grote stenen Boeddha in de kunstmatige grot Sŏkkuram die in de buurt werd aangelegd. De tempel Sach’ŏnwang (Vier Hemelse Koningen) die gebouwd zou zijn om het land tegen een Chinese invasie te beschermen bestaat niet meer. Maar ook monniken van Silla gingen naar China en maakten daar soms naam.
Met de ontwikkeling van de houtblok-drukkunst werd het drukken van soetra’s makkelijker en goedkoper (dit gold ook voor confucianistische werken). Het oudste voorbeeld ter wereld van een houtblok print werd in Silla vóór het jaar 751 gemaakt. Tempelbellen werden gegoten zoals de bekende “Emille Bell” van 771 ter nagedachtenis van een koning. En vele metalen beelden van Vairocana, de verhevenste manifestatie van Boeddha, werden gegoten en aanbeden.
Van de sekten werd Sŏn (Meditatie; Japans: Zen) populair in laat-Silla (en ook in China). Het legde de nadruk op verlichting door meditatie zonder teveel op de studie van de soetra’s en de commentaren te vertrouwen.
In de negende eeuw begon het verval van Silla maar generaal Wang Kŏn herstelde de orde en eenheid van het land. Hij gaf de laatste Silla-koning een eretitel met een pensioen en noemde zichzelf, als stichter van de nieuwe staat Koryŏ, T’aejo.
Koryŏ (918-1392)
Boeddhisme bleef de staatsgodsdienst, al was ook het Confucianisme van invloed onder veel aristocraten. Er stonden op een bepaald moment zeventig tempels in en om Kaesŏng, de hoofdstad van Koryŏ. Zo was de grote Hŭngwang tempel speciaal gebouwd voor Boeddha’s bescherming van de heersende familie Wang. Het was waarschijnlijk koning Hyŏnjong (1009-1031) die in zijn Tien Testamentaire Instructies te kennen gaf dat de staat wel afhankelijk was van de bescherming van de Boeddha maar die ook waarschuwde voor een kostbare wildgroei van tempels.
(Volgens de traditionele geschiedschrijving was het de eerste koning T’aejo die deze Tien Testamentaire Instructies afkondigde. Maar in zijn dissertatie When truth is everywhere: the formation of plural identities in medieval Korea, 918-1170 (Leiden, 2006) beargumenteert de koreanist Remco Breuker (p.312) dat die Tien Instructies niet van T’aejo afkomstig zijn maar van de latere koning Hyŏnjong die zo uiting gaf aan zijn bezorgdheid over de toekomst van Koryŏ. Hyŏnjong liet zijn Tien Testamentaire Instructies mogelijk aan T’aejo toeschrijven om ze meer gewicht te geven. Veel buitenlandse collega’s steunen Breuker in zijn revolutionaire (revisionistische) idee, ook in Korea.)
De boeddhistische kerk bloeide als nooit tevoren. De koninklijke familie en aristocraten lieten niet alleen als vrome daad tempels bouwen. Er werden schitterende ceremoniën gehouden en vegetarische feestmaaltijden voor monniken, één keer zelfs voor honderdduizend monniken. Soetra’s werden gekopieerd, soms in zilveren en gouden karakters op donkerblauw papier. Monniken liepen in processie door de straten waarbij ze de teksten hardop lazen of alleen aan het publiek lieten zien. De Sŏn (Meditatie) sekte inspireerde de fabricage van fraaie ceramiek voor de thee-ceremonie en andere doeleinden.
De kerk ontving schenkingen van grondgebied, en jonge aristocraten en zelfs prinsen van koninklijke bloede werden monnik, en schonken hun eigendommen aan de tempels. Ook lieden van boerenafkomst werden novice en monnik om zo de militaire dienst en corvee arbeid te ontlopen. In de klooster-huishouding gebruikten ze hun kennis voor de veestapel, het fokken van paarden en in de landbouw. Sommige boeren schonken hun stukje land om aan de belasting te ontkomen.
In de elfde eeuw begon men met twee opeenvolgende projecten, in navolging van China en onder koninklijke patronage, om blokdrukken te maken van alle bekende soetra’s en commentaren. Zo’n systematische uitgave was in het belang van geleerden, monnik zowel als leek, maar ook om door deze vrome daad de Boeddha’s bescherming te verkrijgen tegen de invasies van de Khitan, een machtig volk in het noorden. En om postume verdienste te scheppen voor de ouders van de koning. Na veertig jaar was de onderneming voltooid (1087). Maar er bleven ook nieuwe teksten uit China komen.
Ǔich’ǒn (1055-1101), een koninklijke prins die monnik was geworden, stuurde mensen naar China en Japan om zoveel mogelijk titels te verzamelen. Hij verbleef zelf meer dan een jaar in China en verzamelde drieduizend delen. Na terugkomst vestigde hij een speciaal instituut voor de publicatie van een Supplement van de Boeddhistische Canon. Hij probeerde ook het Koreaanse boeddhisme te hervormen en de betrekkingen tussen de twee hoofdsekten, Sǒn (Meditatie) en Kyo (Studie) te verbeteren. In dat proces stichtte hij de Ch’ǒnt’ae (Hemels Platform)-sekte die het Lotus soetra in het centrum van haar leer plaatste. In dit soetra worden de verschillende niveaus van waarheid zoals door de Boeddha onderwezen uitgelegd, en zo enige tegenstellingen in verschillende soetra’s verklaard.
De harmonisatie werd later voortgezet door de monnik Chinul (1158-1230) die vooral Sǒn bevorderde maar uitlegde dat de “plotselinge verlichting” van Sǒn gevolgd moest worden door de “geleidelijke cultivatie” van Kyo. Hij had kritiek op de priesters die zich teveel met politiek bezig hielden en werd hierin bijgevallen door enkele confucianisten die de boeddhistische invloed als een bedreiging zagen voor de politieke instellingen.
Maar het echte gevaar voor de staat kwam in de eerste plaats van buiten, weer uit het noorden. Vanaf 1231 vielen Mongoolse legers herhaaldelijk Koryǒ binnen en bleken niet te verslaan. In een tactische terugtocht bracht de heersende familie Ch’oe de koning en het hof naar Kanghwa-eiland aan de westkust, buiten bereik van de vijand. Die verbrandde toen, mogelijk als daad van psychologische oorlogvoering, alle houten drukblokken van de boeddhistische canon. Het bezette land leed onder de heffingen die de bezetter oplegde, maar op Kanghwa begon men met het graveren van een nieuwe canon. Dit zou uitmonden in wat men nu de Tripitaka Koreana noemt, gedrukt met 80.000 houtblokken waar vijftien jaar aan gewerkt was en nu beschouwd als de mooiste van alle twintig nog bestaande canons. In 1979 publiceerden Lewis R. Lancaster en Pak Sŏng-bae een catalogus van de meer dan vijftienhonderd titels in de Tripitaka Koreana. Begin dertiende eeuw maakt de druktechniek ook grote vooruitgang met de uitvinding van losse metalen typen.
Tenslotte gaf het hof op Kanghwa zich over aan de Mongolen maar een eeuw later verloor dit volk zijn overheersende positie. Koning Kongmin (1351-1374) van Koryǒ verzette zich openlijk tegen hen, en probeerde tegelijkertijd de macht van de Koreaanse aristocratie te ondermijnen. De dood van zijn koningin was een harde klap voor hem en hij verliet zich meer en meer op de monnik Shin Ton, die hij zelfs tot Gevolmachtigd Eerste Minister maakte. Shin Ton zette machtige politici af, gaf landbezit terug aan de oorspronkelijke eigenaren en liet slaven vrij. Hij werd echter door zijn vijanden vermoord en niet veel later trof de koning hetzelfde lot.
De staat Koryǒ, verzwakt door een eeuw Mongoolse heerschappij en interne strijd, kon zich niet meer herstellen, en met de politieke structuur viel ook de boeddhistische steunpilaar.
III. De Yi dynastie heerst over Korea
In 1392 kwam generaal Yi Sǒng-gye in opstand tegen Koryǒ en riep zichzelf uit tot koning T’aejo van een nieuwe staat, Chosǒn, die tot 1910 zou blijven bestaan. Het boeddhisme werd gezien als een van de oorzaken van het verval van Koryǒ en het neo-Confucianisme werd de staatsideologie. Het aantal boeddhistische tempels werd teruggebracht en hun bezittingen in beslag genomen. Het neo-Confucianisme schreef voor hoe publieke en particuliere zaken werden geregeld. De koning, als de pater familias, was alleenheerser en moest door zijn oudste zoon opgevolgd worden. Echter, T’aejo’s jongere zoon Pangwǒn doodde de kroonprins, en T’aejo trok zich teleurgesteld terug in een boeddhistisch klooster. Vanaf 1400 zat Pangwǒn op de troon als koning T’aejong. En hij verminderde het aantal toegestane tempels verder tot 242.
T’aejong was niet erg onder de indruk van zijn oudste zoon Yangnyŏng. Misschien was die geestelijk instabiel. Hij werd als kroonprins afgezet en weggestuurd. Hij noch de tweede zoon, Hyoryǒng, toonden gevaarlijke politieke ambities en werden dan ook verder met rust gelaten. De koning besloot dat zijn derde zoon hem op zou volgen. Dat bleek later voor het land een gelukkige keuze te zijn geweest, op politiek en cultureel vlak.
Deze derde zoon, de “Grote Koning” Sejong, was zeker in het begin een strikt confucianistisch heerser. Hij zette de anti-boeddhistische politiek van zijn vader voort en beperkte het aantal tempels tot zesendertig. Zijn tweede oudste broer was echter een aanhanger van de Boeddha, die monniken om zich heen verzamelde en lezingen liet geven over de soetra’s. Hyoryǒng stond altijd op goede voet met zijn broer de koning, en later met zijn neef en achterachterneef die elkaar op de troon opvolgden. Hyoryǒng stierf in 1486 op de leeftijd van negentig jaar.
Koning Sejong (1397–regering 1418–1450)
Tot Sejong’s tijd was alle Koreaanse literatuur geschreven in het Chinees, op een paar teksten na, meest gedichten, waarin Chinese karakters gebruikt werden om Koreaanse klanken weer te geven, wat net zo lastig is als Engels schrijven met karakters. De reden is dat Koreaans en Chinees behoren tot verschillende taalfamilies.
Jarenlang werkte de koning met zijn assistenten, meest jonge getalenteerde geleerden van de Akademie der Waardigen (de Chiphyǒnjǒn) aan de ontwikkeling van een Koreaans alfabet om aan deze onhandige situatie een eind te maken. In 1446 kondigde hij de geboorte van Korea’s eigen alfabet aan in een (Chinees-talig) werk, de Hunmin chǒngǔm (“De Juiste Klanken ter Onderrichting van het Volk”). De letters werden in het Koreaans han’gǔl (‘groots schrift’) genoemd5.
In 1447 publiceerde de regering het eerste dichtwerk in het Koreaans (wel met commentaar in het Chinees), de Yongbiǒch’ǒn’ga (“Lied van Draken Vliegend naar de Hemel”)6, een lofzang op de koninklijke voorouders, speciaal op koning T’aejo, de stichter van de Chosǒn-dynastie.
Al eerder protesteerden de confucianistische hovelingen en regeringsfunctionarissen krachtig tegen dit project voor een han’gǔl alfabet. Zij zagen het als een afwijking van de Chinese culturele wereldorde. Zoals confucianistische functionarissen behoren te doen als ze menen dat hun heer dwaalt, richtten zij hun kritiek op Sejong. En hij, zoals een confucianistisch heerser behoort te doen, luisterde ernstig naar hun verklaringen maar werd niet overtuigd. Het was tenslotte een van de doelstellingen van de uitvinding van het han’gǔl om de studie van de confucianistische klassieken en commentaren makkelijker te maken voor (lagere) beambten die klassiek Chinees (de schrijftaal) onvoldoende beheersten. Voor hen zouden noten in het Koreaans bij het lezen van Chinees behulpzaam zijn. Koning Sejong had ook spreektaal Chinees bestudeerd en dacht dat Koreaanse tolken van (toenmalig modern) Chinees hun voordeel konden doen met handig studiemateriaal voor hun belangrijke werk in de diplomatie7. Hij schreef zijn criticasters een antwoord in het han’gǔl !
Het dispuut verscherpte toen koningin Sohǒn, 51 jaar oud, in 1446 kwam te overlijden. Zij was een ideale echtgenote geweest die de koning acht zonen en twee dochters had geschonken. Op haar epitaaf somde de functionaris Chǒng In-ji haar deugden en de namen van alle kinderen op8. Zelfs toen haar vader in 1418 als een rebel verbannen werd, werd zij gered door haar reputatie. De getroffen koning die in zijn latere jaren steeds meer tot het boeddhisme werd aangetrokken, gaf zijn zoon prins Suyang opdracht voor het zieleheil van de overleden koningin een groots werk over het leven en de leer van de Boeddha samen te stellen. Te midden van verbitterde protesten van de anti-boeddhistische confucianisten maar bijgestaan door de functionaris Kim Su-on en diens oudere broer de monnik Shinmi stelde de prins in één jaar en vier maanden een proza-werk in vierentwintig delen samen, gebaseerd op Chinese boeddhistische soetra’s en vertaald in het Koreaans: de Sǒkpo sangjǒl (Gedetailleerde hoofdstukken over de Sakya’s; Sakya was de naam van de clan waar de Boeddha in geboren was). Het werd in 1447 gepubliceerd, na het Lied van Draken Vliegend naar de Hemel.
De Sǒkpo sangjǒl
Uit Koreaanse bronnen blijkt dat prins Suyang en zijn helpers voor hun compilatie van de Sǒkpo sangjǒl in 1446-1447 gebruik maakten van de Chinese werken de Shi jia pu (Koreaans: Sǒkka po) en de Shi jia shi pu (Koreaans: Sǒkka-ssi po), die zelf selecties zijn, van de hand van de Chinees Seng-you (6e eeuw), uit verschillende werken. Moderne Koreaanse geleerden hebben echter vastgesteld dat ook andere soetra’s werden gebruikt9.
Niet alle verhalen in de Sǒkpo sangjǒl (of zijn latere editie, de Wǒrin Sǒkpo) zijn echter in de Chinese canon terug te vinden. Het zou dus kunnen dat enkele verhalen niet buitenlandse maar Koreaanse wortels hebben. Een voorbeeld is het “Verhaal van Prins Paradijs” in Wǒrin Sǒkpo, deel 810 (zie onder: Koning Sejo). Verder zijn sommige canto’s in de Wŏrinch’ŏn’gangjigok (“Het lied van Maanweerspiegeling”), de latere poëtische versie, bv. nrs. 76-78, onduidelijk omdat de overeenkomstige stukken in de Sǒkpo sangjǒl en Wǒrin Sǒkpo ontbreken, en ook Chinese werken geen oplossing bieden.
Opmerkelijk is ook het verhaal van de taoïstische god Zitong (canto’s 28-29; Wǒrin Sǒkpo deel 2 p.50), die niet in de boeddhistische canon thuis hoort11. Zitong was verwant aan een vroegere lokale slangencultus in west-China en werd later de God van de Literatuur Wenshang. In de veertiende en vijftiende eeuw was deze cultus doorgedrongen tot in de staatsscholen van het Chinese Ming-rijk12. De koreaanse Sǒkpo sangjǒl van 1447 vertelt van zijn incarnatie als draak die door de Boeddha werd gered.
Voor zover we kunnen zien in de overgebleven delen volgde prins Suyang de belangrijkste Mahāyāna tradities van het levensverhaal van de Boeddha in het kader van de P’alsang (“Acht Episodes ” of “Acht Aspecten”): 1) verblijf in de Tushita-hemel; 2) verhuizing naar het lichaam van zijn moeder; 3) verblijf daar, prediking; 4) geboorte in het park; 5) vertrek uit het paleis; 6) verlichting na zeven jaren van ascese; 7) prediking; 8) Nirvana.
Er zijn variaties, en de Wǒrin Sǒkpo opent met slechts zeven illustraties op dubbelpagina’s: 1) vertrek van Tushita naar moeder’s lichaam; 2) geboorte; 3) de vier uitstapjes; 4) vertrek; 5) ascese; 6) verlichting door Māra te verslaan; 7) prediking.
Mogelijk is één illustratie verloren gegaan (de pagina’s met illustraties zijn niet genummerd). De Sǒkpo sangjǒl begint echter met vroegere levens van de Boeddha als bodhisattva, een wezen dat het boeddhaschap uitstelt tot iedereen gered is (“Lied van Maanweerspiegeling”, canto’s 3-11), net als het begin van de Fo ben xing ji jing (zie de Inleiding).
Het Lied van Maanweerspiegeling
De Wŏrinch’ŏn’gangjigok of Het Lied van Maanweerspiegeling in Duizend Rivieren is een Koreaans loflied op het leven van de Boeddha in 585 canto’s gepubliceerd in 1449. Het bijzondere is dat het een koninklijke compositie is. Een koning in Korea had niet veel vrije tijd in het paleis met functionarissen om zich heen die hem voortdurend gezelschap hielden en zelfs in de gaten hielden bij alle ceremoniële en bureaucratische plichten die hij te vervullen had. Bovendien waren de functionarissen rondom Sejong trouwe confucianisten die niet veel ophadden met het boeddhisme.
Het Lied van Maanweerspiegeling hoort tot het genre van poëtische liederen, akchang geheten, die in de tijd van Koryǒ en Chosǒn bij ceremoniën gezongen werden. Maar Het Lied van Maanweerspiegeling en allerlei Koryǒ-liederen hoorden niet thuis aan het confucianistische hof. Er was natuurlijk geen bezwaar tegen Het Lied van Draken Vliegend naar de Hemel, de eerdere akchang van koning Sejong, dat tijdens ceremoniën en feesten ten gehore werd gebracht13. Een kenmerk van deze akchang is het gebruik van parallelisme en tegenstelling, zoals in veel canto’s is te zien. Een oorspronkelijke canto bestaat meestal uit twee versregels van eenentwintig of vierentwintig lettergrepen.
We weten niets van de gedachten van de koning terwijl hij de tekst van de Sǒkpo sangjǒl omzette naar zijn gedicht, maar de compositie verraadt enige persoonlijke voorkeuren in het vertellen van het leven van de Boeddha. Hij schrapte of verkortte scenes die anderen wel belangrijk vonden, en besteedde bv. veel verzen aan de realistische klacht van Yasudara, de vrouw van de Boeddha, toen de volgeling Maudgalyāyana haar zoon Rāhula (canto’s 138-145) kwam halen. In de Chinese Fo ben xing ji jing komt deze moederlijke smart niet voor. Ook besteedde Sejong veel ruimte aan de Boeddha’s discussie met zijn vader, een koning, toen ze elkaar na vele jaren weer ontmoetten (canto’s 116-124). Dit is ook een belangrijke episode in andere biografieën. Misschien dacht Sejong eraan hoe hij zich zou voelen met zo’n bijzondere zoon. Of hij stelde zich voor dat hijzelf die zoon was die zijn vader vertelde dat hij geen belangstelling voor de troon had, zoals zijn twee oudere broers zich erin schikten dat hun vader, koning T’aejong, de voorkeur gaf aan hem, Sejong, als opvolger.
De episodes in de Sǒkpo sangjǒl en Lied van Maanweerspiegeling staan vol wonderen: bij bijna iedere stap die hij zet wordt de bodhisattva (de latere Boeddha) en de Boeddha zelf geholpen door goden van het Hindoe-pantheon. Filosofische gesprekken met volgelingen van een ander geloof worden heel kort weergegeven, terwijl die in de oorspronkelijke soetras vele bladzijden beslaan. Canto 58 van het Lied vat zes jaar studie onder twee leraren samen. De Fo suo xing zan jing besteedt tientallen verzen aan deze periode. Het bereiken van de Verlichting, die centraal staat in de boeddhistische filosofie, wordt in het Lied weergegeven als een geweldige strijd tussen Mara’s legers en de Boeddha’s doorzettingsvermogen. Hiervan zijn geen stukken in de Sǒkpo sangjǒl of Wǒrin Sǒkpo overgebleven. Het Lied is dus niet bedoeld om de esoterische delen van de boodschap van de Boeddha uit te leggen, of zijn psychologische verklaring van het menselijk lijden en de logische stappen om hier een einde aan te maken, zoals bv. de Fo suo xing zan jing wel doet.
Dat maakte het Lied geschikt om voor het gewone (ongeletterde) publiek of lagere monniken voor te lezen of te reciteren. De superioriteit van de Boeddha en zijn volgelingen ligt in hun magische krachten. Het koninkrijk Magadha bv. wordt de machtsbasis voor de boeddhistische organisatie na de nederlaag van de vuuraanbidders. Zij zijn verslagen door de Boeddha die hun draak temde en door andere prestaties (canto’s 98-110; evenzo in de Fo ben xing ji jing, hoofdstukken 40-42). Pas als de Boeddha zijn aardse bestaan beëindigd heeft volgen, in de delen II en III van het Lied van Maanweerspiegeling, met veel lacunes vertalingen van het Lotus soetra en andere soetra’s met meer filosofische inhoud. Uit het Lotus soetra volgt hieronder een kleine episode.
Er zijn aanwijzingen dat Sejong niet alleen prins Suyang’s vertaling gebruikte. De Chinese karakters voor het paard van prins Siddhartha in het Lied (canto 24) verschillen van die in de Sǒkpo sangjǒl (maar staan wel voor dezelfde klanken). Schreef de koning die karakters uit zijn hoofd of gebruikte hij ook een andere tekst naast de Sǒkpo sangjǒl? En de lyrische stukken in canto’s 1, 2, 167 en 169 heeft hij zelf bedacht.
Suyang’s werk gebruikt het nieuwe han’gǔl en Chinese karakters die worden gevolgd door hun uitspraak in klein formaat han’gǔl, terwijl in Sejong’s dichtwerk de Chinese karakters in klein formaat staan na de (grotere) han’gǔl-woorden. In de Sǒkpo sangjǒl werd het han’gǔl gedrukt met ‘mobiele’ bronzen letters die in 1447 waren gegoten, en de Chinese karakters met bronzen types van 143414. Zoekend naar steeds betere druktechnieken hebben koning T’aejong, en na hem Sejong, verschillende nieuwe letterfonten laten gieten.
Het Lotus soetra
Een fragment uit hoofdstuk 20 van het Lotus soetra in de Koreaanse vertaling van de Sǒkpo sangjǒl, deel 19 15:
De monnik Minacht nooit
“De Boeddha sprak toen tot de bodhisattva mahāsattva Mahāsthāma: ‘Besef dit! Wie ook onder de monniken, nonnen, mannelijke of vrouwelijke leken, met grove taal iemand die het Lotus Soetra bewaart, uitscheldt en bespot, hem zal strenge vergelding treffen voor de zonde, zoals eerder is gezegd; en ook de verkregen verdiensten zullen zijn als eerder gezegd, en diens oog, oor, neus, tong, lichaam en geest zullen zuiver zijn. Oh, Mahāsthāmaprāpta! Ontelbare, onmetelijke en onvoorstelbare asaṃkhyeya tijdperken geleden leefde er een Boeddha genaamd koning Statige Stem, Aldus Gekomen, Eerwaardig, Alwetend, Volmaakt in Kennis en Gedrag, Juist Gaande, Wereldbegrijper, Weergaloze Edelman, Regelaar van Mannen van Formaat, Leraar van Devas en Mensen, Boeddha, Wereld Geëerde. Zijn tijdperk heette Vrij van Verval, en zijn land Grote Volmaking. Deze Boeddha Statige Stem zette voor de deva’s, mensen en asura’s de Wet uiteen. [enz. enz.] Nadat de allereerste koning Statige Stem Tathāgata het nirvana was ingegaan en de juiste Wet was verdwenen, vormden in de tijd van de formele Wet de zelfingenomen monniken een grote macht. Er leefde toen een bodhisattva monnik genaamd Minacht Nooit. Oh Mahāsthāmaprāpta! Waarom werd hij Minacht Nooit genoemd? Wanneer deze monnik (dat is de monnik Minacht Nooit) een monnik, non, mannelijke of vrouwelijke leek zag, maakte hij altijd voor ieder een buiging, en prees hen met de woorden: ‘Ik bewonder jullie zeer en kijk niet op jullie neer! Als je je afvraagt waarom dat is, het is omdat jullie allemaal de richtlijnen van de bodhisattva volgt en zeker Boeddhas zult worden.’ Deze monnik gaf geen voorrang aan lezen en het reciteren van de heilige boeken, maar boog alleen voor de mensen, en zelfs als hij de vier groepen in de verte zag, ging hij er opzettelijk op af en boog voor ze en prees ze: ‘Ik kijk echt niet neer op jullie. Jullie zult zeker allemaal Boeddhas worden.’ Zij in de vier groepen die boos werden, beschimpten hem met ruwe woorden: ‘Waar komt deze onwetende en dwaze monnik vandaan? Hij voorspelt ons toekomstige Boeddhaschap met de woorden “Zeker zullen jullie Boeddhas worden”. Dat zijn voor ons echt waardeloze voorspellingen!’ Jarenlang verdroeg hij zo de onafgebroken scheldpartijen maar hij werd niet kwaad en sprak voortdurend: ‘Zeker zullen jullie Boeddhas worden!’ Daarom, als hij zo sprak, vielen alle mensen hem aan met stokken en dakpannen en stenen. Hij rende dan weg maar bleef op afstand staan en riep met luide stem: ‘Ik kijk niet neer op jullie. Jullie zult zeker allemaal Boeddhas worden.’ Omdat hij altijd deze woorden zei noemden de zelfingenomen monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke leken hem ‘Minacht Nooit’. Toen zijn laatste uur was gekomen hoorde deze monnik alle twintigduizend ontelbare verzen van het Lotus Soetra die ooit door de Boeddha koning Statige Stem waren gezegd in het universum, hij ontving die kundig en bewaarde ze alle en zoals boven beschreven was zijn zicht meteen zuiver en zo waren de vermogens van zijn oor, neus, tong, lichaam en geest. Zijn zes vermogens werden zuiver en hij leefde weer tweehonderd ontelbare nayuta jaren en vertelde de mensen van dit Lotus Soetra. De zelfingenomen monniken, nonnen, mannelijke en vrouwelijke leken, die deze man bespot hadden en hem ‘Minacht Nooit’ genoemd hadden, zagen toen hoe hij grote bovennatuurlijke krachten had verkregen, de kracht van vreugde in het preken en de grote kracht van deugdzame rust, zij hoorden zijn woorden en gaven zich in geloof aan hem over en volgden hem [enz. enz.]. Oh Mahāsthāma! Wat denk je hiervan? Kan de bodhisattva Minacht Nooit uit die tijd iemand anders zijn? Ikzelf was hem. [enz.]”
Koning Sejo (1417- regering 1455-1468)
Toen Sejong stierf werd hij opgevolgd door de kroonprins, die als koning Munjong wordt genoemd (reg. 1450-1452). Als kroonprins had Munjong weinig tot geen kans gehad kennis te nemen van het wetenschappelijk werk van zijn vader, en was ook niet door diens boeddhistische neigingen beïnvloed. Dag en nacht hadden de strikte confucianistische functionarissen hem voorbereid op zijn toekomstige koninklijke positie. Als kroonprins stond hij alleen naast zijn vader bij sommige belangrijke hofceremoniën. Hij had echter een slechte gezondheid en voelde, eenmaal op de troon, al snel zijn einde naderen. Munjong verzocht zijn ministers, onder wie Hwangbo In, Eerste Staatsraad sinds Sejong, en functionarissen als Sǒng Sam-mun en Shin Suk-chu, om zijn jonge zoon, de latere koning Tanjong, trouw te blijven. Hij stierf op 38-jarige leeftijd.
In het volgende jaar, 1453, liet Tanjong’s oom, prins Suyang, echter Hwangbo In en enkele anderen doden en werd zelf Eerste Staatsraad. Hij verbande zijn broer Anp’yǒng, die zich tegen hem had verzet, en liet deze wat later ook doden. In 1455 stelde de jonge koning zijn oom voor om voor hem troonsafstand te doen. Suyang werd tot tranen geroerd door dit gebaar maar weigerde16. Hetzelfde jaar veranderde hij echter van gedachte, verbande zijn neef en riep zichzelf uit tot koning Sejo. Toen Sǒng Sam-mun en anderen het plan smeedden om Tanjong weer op de troon te zetten liet Sejo hen ter dood brengen. In 1457 deed prins Kǔmsǒng, een jongere broer van Sejo, een laatste poging tot restauratie. Ook hij werd gedood, en nu ook Tanjong.
Nu zijn positie veilig was begon Sejo met een klein gevolg van getrouwen energiek aan zijn regering. De codificatie van de administratie, gebaseerd op Chinese wetten, en begonnen door zijn vader en grootvader, werd voortgezet. Maar een tragedie bewoog hem om zijn vroegere boeddhistische werk opnieuw uit te geven. In 1457 was zijn zoon, kroonprins Towǒn, overleden, en de koning besloot in de voetstappen van zijn vader tot een kostbaar gebaar om zo religieuze verdienste te verkrijgen. Hij liet de Sǒkpo sangjǒl en koning Sejong’s dichtwerk Wǒrinch’ǒn’gangjigok tot één boek samenvoegen, na een nauwgezette herziening, zin voor zin, van de Sǒkpo sangjǒl. Zelfs in het werk van zijn vader werden enkele wijzigingen aangebracht (zo werd een canto toegevoegd). In dit nieuwe werk, de Wǒrin Sǒkpo van 1459, werd het proza van de Sǒkpo sangjǒl een commentaar op de Wǒrinch’ǒn’gangjigok. In zowel het proza als de poëzie werden de Chinese karakters nu gevolgd door de uitspraak in klein formaat han’gǔl.
Onder Sejo’s mede-redacteuren bevonden zich zijn oude assistenten de priesters Shinmi en Sumi en Kim Su-on. De Wǒrin Sǒkpo (deze titel is een combinatie van de twee oorspronkelijke titels) verscheen in vierentwintig delen. In het voorwoord beschrijft Sejo de omstandigheden van dertien jaar terug toen zijn moeder stierf. Hij noemde het gedicht van zijn vader verkort: Wǒrin’ch’ǒn’gang (“Maanweerspiegeling op Duizend Rivieren”). Vervolgens vestigde hij in 1461 een Bureau voor de Vertaling en Druk van Boeddhistische Soetra’s, de Kan’gyǒng togam, een instituut dat het werk dat hij als prins begon op grotere schaal moest voortzetten. De Kan’gyǒng togam publiceerde Koreaanse versies van het Lotus soetra, het Diamant soetra, het Amithaba soetra, etc. Volgens de officiële annalen hield Sejo in juni 1468 een banket met prinsen en functionarissen, waarbij hij enkele kisaeng, beroepszangeressen, bevel gaf het Lied van Maanweerspiegeling voor hem te zingen. Hun gezang bewoog hem tot tranen17. En later dat jaar overleed hij.
De geleerden
De mensen die met koning Sejong in het taal-instituut, de Chiphyǒnjǒn, hadden gewerkt waren jonge functionarissen die nog geen zware officiële taken hadden. Hun senior was Chǒng In-ji (1396-1478), die het nawoord schreef bij de Hunmin chǒngǔm (“De Juiste Klanken ter Onderrichting van het Volk”) en mederedacteur was van de Yongbiǒch’ǒn’ga. Hij steunde de latere zuiveringen door prins Suyang en werd de Eerste Minister toen de prins koning Sejo werd, hoewel hij het openlijk oneens was met diens pro-boeddhistische houding. Chǒng’s zoon Hyǒnjo trouwde een dochter van Sejo.
Een belangrijke geleerde was ook Shin Suk-chu (1417-1475), die wat Japans kende en wiens Chinese gedichten in Japan geprezen werden toen hij daar in 1443 op bezoek was. Chinees kende hij goed, en hij kon een Mongoolse tekst citeren. Ook hij steunde Sejo en maakte zich in 1460 verdienstelijk in militaire campagnes tegen de Jurchen aan de noordgrens.
De derde geleerde was Sǒng Sam-mun (1418-1456), die met Shin en anderen een paar maal naar Liaodong Schiereiland reisde, dat tussen Korea en Noord-China ligt, om fonologische kwesties van het Chinees te bespreken met de Chinese geleerde Huang Zan die daar als balling verbleef. Sǒng bezocht ook China op officiële reizen en vestigde daar zijn reputatie als dichter. Hij betreurde de onmenselijke manier waarop Sejo koning was geworden en werd met zijn vader, broers en zonen zelf terecht gesteld. Voor zijn executie noemde hij Shin een verrader en vertelde Sejo dat die het salaris dat hij onder diens bewind had ontvangen onaangeroerd bij hem thuis kon ophalen. En reciteerde het beroemde gedicht: “In welke herberg zal ik vanavond rusten op mijn weg naar de onderwereld?” Sǒng werd een van ‘de Zes Martelaar Ministers’ die door Sejo waren gedood. Een ander groep, ‘de Zes Trouwe Onderdanen’ weigerden onder Sejo te dienen maar overleefden door hun carrière op te geven. Een van hen was Kim Shi-sǔp, nog steeds bekend om zijn verhalenbundel Kǔmǒ shinwa (“Nieuwe Verhalen van de Gouden Schildpad”), verzameld naar een Chinees model en in klassiek Chinees opgeschreven.
Ook prins Anp’yǒng (1418-1453), een broer van prins Suyang, de latere Sejo, had meegewerkt aan het talenproject van zijn vader. Hij was een groot verzamelaar van schilderijen en zijn kalligrafie werd gebruikt als model voor de drukletters die in 1450 gegoten werden. Na Anp’yǒng’s executie werden deze drukletters in 1455 vernietigd.
Kim Su-on: de carrière van een lagere functionaris
Onder prins Suyang’s assistenten was ook de geleerde Kim Su-on (1409-1481) die zijn carrière was begonnen door de staatsexamens van 1441 en 1457 met de beste cijfers af te leggen. Tijdens zijn leven en tot in de 17e eeuw werden zijn kennis en kalligrafie in hoge mate geprezen18. Zijn gedichten en andere geschriften worden wel vijfentwintig keer geciteerd of vermeld in de editie van 1531 van de geografische encyclopedie Shinjǔng Tongguk yǒji sǔngnam (Uitgebreid overzicht van de geografie van Korea). In 1481 had Sejo’s kleinzoon koning Sǒngjong de eerste editie in vijftig delen in ontvangst genomen.
Kim had harde kritiek te verduren gekregen toen hij met de prins aan de boeddhistische Sǒkpo sangjǒl werkte. Maar onder Sejong had hij ook meegewerkt aan een groot medisch werk, de Ǔibang yuch’wi (Classificatie van medische voorschriften), onder supervisie van prins Anp’yǒng. Dit werk in 365 delen werd in 1464 voltooid, toen Sejo al op de troon zat19. In 1457 werd Kim Tweede Assistent-meester van de Nationale Academie, de Sǒnggyun’gwan. Dat jaar stuurde Sejo hem naar China om een Indiaas script te bestuderen. Dat ging mogelijk om siddham letters. Sejo maakte blijkbaar ook studie van magische letters (mantra) en woorden (dharani) die een rol spelen in het esoterisch boeddhisme. Het ging dan om de precieze uitspraak en hoe die in han’gǔl weer te geven, want de kracht van magische formules hing van de juiste uitspraak af. We weten niet wat Kim hierin bereikte maar toen hij in China de Ganlu-tempel bezocht was de abt zeer onder de indruk van het gedicht dat hij op een pilaar schreef waarin een woordspeling werd gemaakt op de zwarte pruimenboom daar en de gele pruimenboom in de Chogye tempel in Korea. Zijn roem groeide later nog toen een Chinese gezant Sejo bezocht en een ander gedicht van Kim prees dat hij mee terug naar China nam20.
Kim ontving de eretitel van Eerste Minister-zonder-Portefeuille. En onder koning Sǒngjong (1469-1494) werd hij Heer van Yǒngsan en Verdienstelijk Onderdaan.
Hij schreef het nawoord bij negenentwintig boeddhistische werken die in 1472 werden gepubliceerd door Douairière Insu, weduwe van Sejo’s zoon Towǒn en moeder van Sǒngjong, voor het zieleheil van Sejo en andere overledenen van de koninklijke familie. Toen echter koning Sǒngjong in 1478 een banket wilde houden met speciale riten in de Nationale Academie maakten een censor en anderen bezwaar tegen de aanwezigheid van “de boeddhistische gelovige” Kim Su-on, die dan ook niet werd toegelaten. Ook de oudere staatsman Chǒng In-ji kreeg dat jaar een bittere pil te slikken toen de koning hem wilde raadplegen over staatszaken. Een inspecteur wist dit te voorkomen door op Chǒng’s reputatie van hebzucht te wijzen21. Chǒng stierf nog datzelfde jaar, Kim drie jaar later.
IV. Herdrukken
Korea heeft in haar geschiedenis een paar verwoestende invasies en begin jaren-50 een vreselijke oorlog meegemaakt. Houten gebouwen, drukblokken en boeken vallen snel ten prooi aan het vuur, en veel boeken werden tussen 1592 en 1598 ook al als buit door de Japanners meegenomen, met een hoeveelheid metalen drukletters. En in tijden van vrede kregen de boeddhistische kloosters niet veel steun van de confucianistische autoriteiten om deze culturele schatten te bewaren.
Zelfs van de Hunmin chǒngǔm (“De Juiste Klanken ter Onderrichting van het Volk”), nu een officiële Nationale Schat, is maar één oorspronkelijke en incomplete kopie gevonden, in 1940 door de boekenverzamelaar Chǒn Hyǒng-p’il in de provincie Kyǒngsang Pukto. Een vroege editie is wel opgenomen in deel 1 van de Wǒrin Sǒkpo.
We weten niet hoe groot de oplage was van een editie, maar ook in het Verre Oosten waren boeken in die tijd kostbaar. We veronderstellen dat de koningen Sejong en Sejo tussen de 50 en 150 exemplaren van hun privé boeddhistische werken lieten drukken22.
De Sǒkpo sangjǒl en Wǒrinch’ǒn’gangjigok
We zagen hoe douairière Insu in 1472 29 soetra’s publiceerde. In 1495 begon ze een nieuw project, na de dood van haar zoon, koning Sǒngjong. Nu werden acht boeddhistische werken, meest Koreaanse vertalingen, uitgegeven, waaronder de Lotus sutra en de Sǒkpo sangjǒl. Het lijkt erop dat ze hierbij geholpen werd door Chǒnghyǒn, de vrouw van Sǒngjong, ter nagedachtenis van haar man23.
Er zijn geen aanwijzingen dat de Wǒrinch’ǒn’gangjigok een herdruk heeft beleefd. Het werk werd gedrukt in 1449 met de zogenaamde Sǒkpo sangjǒl metalen typen van 1447. Deze uitgave wordt niet eens vermeld in de officiële annalen van de Chosǒn dynastie die alle eeuwen door door de confucianistische historici werden opgesteld (alleen het zingen van het Lied in de nadagen van Sejo wordt genoemd, en de uitgave van de Wǒrin Sǒkpo). Van de Sǒkpo sangjǒl weten we alleen dat na de uitgave door douairière Insu er een herdruk is van deel 3, gemaakt met houtblokken van de Muryang tempel in 156124, en van deel 11 uit die tijd (zelfde jaar, zelfde tempel?). De drie werken werden binnen twee eeuwen geheel vergeten.
De Wǒrin Sǒkpo
We zagen hoe het Lied van de Maanweerspiegeling en Sǒkpo sangjǒl samen de Wǒrin Sǒkpo vormden. Van de Wǒrin Sǒkpo zijn meer nadrukken te vinden uit de 16e en 17e eeuw. Het zijn alle houtblok-drukken (vols. 1,2,7-14,17,18, 21-23).
Delen 1 en 2 beleefden een herdruk in 1568 in de Hǔibang-tempel in de Sobaek-bergen, provincie Kyǒngsang Pukto (waar in 1561 het Lotus soetra werd gedrukt), en in de Chitpang tempel in dezelfde bergen25.
Delen 7 en 8 bestaan nog in edities van 1572 van de Piro-tempel in de Sobaek-bergen (waar in 1574 het Lotus soetra nog eens werd gedrukt). De bibliotheek van de Yonsei universiteit in Seoul heeft exemplaren van een editie van 1607 van de Chungdae tempel (Andong-gun, prov. Kyǒngsang Pukto).
Er zijn een paar edities van deel 21 bewaard gebleven: van de Kwanghǔng-tempel (een productieve tempel in de 16e eeuw, in Kyǒngsang Pukto) in 1542, van de “Muryang-Tempelgrot” (prov. Chǒlla Pukto) in 1559, en van de Ssanggye-tempel (destijds ook een belangrijke klooster-uitgeverij) in 1569. De drukblokken (incompleet) van de laatste tempel zijn later overgebracht naar de Kap-tempel op de berg Kyeryong (beide tempels staan in de prov. Ch’ungch’ǒng Namdo). Er is ook nog een deel 22 uit de 16e eeuw bewaard, en een deel 2326 (en zie noot 24).
Tijdens de Yi-dynasty beleefde het Lotus soetra de meeste herdrukken (minstens 128 keer, waarvan elf keer in de 15e eeuw, en zesendertig in de 16e). In die tijd publiceerde de Songgwang-tempel in Chǒlla Namdo de meeste boeddhistische werken: minstens negenendertig houtblok-edities, gevolgd door tweeëndertig door de Pohyǒn-tempel (P’yǒngan Pukto)27.
Overzicht
1447 1ste ed. Sǒkpo sangjǒl (= S.s.; 6,9,11,13,19,23,24)
1449 1ste ed. Wǒrinch’ǒn’gangjigok
1459 1ste ed. Wǒrin Sǒkpo (= W.S.; 1,2,7-14,17,18; Sut’a-tempel, op Kangwǒn-do)
1495 2de ed. S.s.
1542 W.S. (21; Kwanghǔng-tempel, Kyǒngsang Pukto)
1559 W.S. (23; Muryang-tempel, Chǒlla Pukto)
1561 S.s. (3; id.)
1562 3de ed. W.S. (21; id. )
1568 2de ed. W.S. (1,2; Hǔibang-tempel, Kyǒngsang Pukto)
1569 4de ed. W.S. (21; Ssanggye-tempel, Ch’ungch’ǒng Namdo)
1572 2de ed. W.S. (7,8; Piro-tempel, Kyǒngsang Pukto)
15..? W.S. (22)
1607 3de ed.? W.S. (7,8; Chungdae-tempel, Kyǒngsang Pukto)
Dit overzicht lijkt aan te geven dat de nieuwe edities (blokdrukken) van de Wǒrin Sǒkpo tussen 1542 en 1607 werden gemaakt, in het zuidelijk deel van Korea (de provincies Kyǒngsang Pukto, Chǒlla Pukto en Ch’ungch’ǒng Namdo). Er is toen misschien een complete nieuwe editie geweest door verschillende tempels (en de rol van de Muryang tempel- grot in Chǒlla Pukto valt daarbij op). Maar de vier edities van deel 21 vormen een boeiend probleem. Werden zij gemaakt vanwege bepaalde inhoud van dit deel, op initiatief van lieden van binnen of buiten de tempels? Dit vraagt om nader onderzoek.
De editie van 1607 van delen 7 en 8 kan met de bedoeling zijn ontstaan om een drukblok te vervangen dat in de Japanse invasie van 1592-1598 verloren is gegaan.
V. Hoe enige delen in de 20e eeuw terug werden gevonden
Voor 1945
Van 1910 tot 1945 was Korea een Japanse kolonie. Terwijl Koreaanse intellectuelen eerst geïnspireerd werden door het moderne buurland, keerden ze zich na de bezetting in 1910 van Japan af. En keken ook met een kritische blik, vrij van de confucianistische leer, naar de geschiedenis van hun eigen land dat niet meer zelfstandig was. Ze zochten naar manieren om het Koreaanse volk te verheffen met moderne middelen als boeken en tijdschriften in spreektaal Koreaans (dus in han’gǔl letters). In 1919 ontstond een massabeweging voor onafhankelijkheid, geïnspireerd door een verklaring waar een groep zgn. nationale vertegenwoordigers hun naam onder hadden gezet, onder wie de boeddhist Han Yong-un. De jonge intellectueel Ch’oe Nam-sǒn had de tekst ontworpen. De beweging werd echter genadeloos door de Japanse bezetter neergeslagen.
Het jaar daarvoor had de geleerde Yi Nǔng-hwa (1868-1945) zijn Geschiedenis van het Koreaans Boeddhisme (in het Chinees) gepubliceerd waarin de Sǒkpo sangjǒl en de Wǒrinch’ǒn’gangjigok na eeuwen van vergetelheid weer werden genoemd. Ook Japanse geleerden maakten studie van oude Koreaanse literatuur, zoals Maema Kyosaku die veel later, in 1937, zijn Kosen sappu (“Bibliografie van het oude Korea”) publiceerde.
Geïnspireerd door de geschiedenis schreef de bekende schrijver Yi Kwang-su (1892-1950?) De tragische geschiedenis van Tanjong (1929), waarin het publiek een parallel zag met de Japanse usurpatie. In de jaren-30 begon Yi, na zes jaar studie, een modern Koreaanse vertaling van het Lotus soetra. En in 1940 verscheen zijn Grote Koning Sejo. Ook zijn vriend Hong Sa-yong (1900-1947) en andere schrijvers putten uit gebeurtenissen van de vijftiende eeuw28.
In 1929 werden ook enkele vondsten gedaan. De eerste editie van de Sǒkpo sangjǒl, dl. 6,9,13 en 19 werd ontdekt door de Japanse professor Eda Toshio tijdens een reis door de provincie Hwanghae. Eda was werkzaam op het Centraal Boeddhistisch College (nu Tongguk Universiteit) te Seoul en zijn vondst wekte grote belangstelling bij Koreanen als Yi Pyǒng-gi (schrijversnaam ‘Karam’), een verzamelaar van oude Koreaanse boeken. Yi ging om met collega’s als de gerespecteerde Yi Nǔng-hwa, Ch’oe Nam-sǒn, de boeddhistische priester Kwǒn Sang-no (in 1946 president van de Tongguk Universiteit) en zijn vriend de geschiedkundige Yi Pyǒng-do, die hem hielp bij het zoeken naar bijzondere boeken. Yi Pyǒng-gi had ook contact met Japanners als de taalkundige Ogura Shinpei en Imanishi Ryū29.
Datzelfde jaar 1929 had Yi de delen 1 en 2 van de Wǒrin Sǒkpo te pakken gekregen en dacht dat het delen van het Lied van Maanweerspiegeling waren. Ze worden nu bewaard in de bibliotheek van Seoul National University tezamen met de delen 21 van 1542 en 1569 (die hij in 1930 verkreeg) en andere titels uit de ‘Karam Collectie’30. In 1932 was er een tentoonstelling van oude boeken in het warenhuis Mitsukoshi te Seoul, o.a. de eerste editie van de delen 13 en 14 van de Wǒrin Sǒkpo uit het bezit van professor Ogura Shinpei die nu in de bibliotheek van Yǒnsei Universiteit worden bewaard.
In de jaren-30 kwam Yi, die les gaf in de vroege han’gǔl-letterkunde, tot de conclusie dat het Lied van Maanweerspiegeling uit drie delen had bestaan. De vier delen van de Sǒkpo sangjǒl werden in 1938 aan de huidige Nationale Bibliotheek van Korea verkocht.
Van 1945 tot 2000
Na de bevrijding van de Japanse bezetter ontstonden allerlei organisaties in Korea, politieke maar ook academische. Yi Pyǒng-gi werd professor op Seoul National University. In 1947 richtte hij met Min Yǒng-gyu, Kim Tu-jong en anderen de Koreaanse Bibliografische Vereniging op, en werd het volgende jaar voorzitter van de Vereniging tot Behoud van de Graftombes van “de Zes Martelaar Ministers” van 1456.
De Koreaanse Oorlog (1950-1953) maakte voorlopig echter een eind aan alle hoop op een betere toekomst. Hele steden, en ook tempels in de bergen werden verwoest, en de delen 1-2 van de Wǒrin Sǒkpo in de Hǔibang-tempel gingen verloren. Zowel Noord- als Zuid-Korea leden zware economische schade en tot in de jaren-60 gold Zuid-Korea als een onderontwikkeld land.
Ontdekkingen gingen echter door. In 1957 vond Yi Tong-nim een eerste editie van de delen 17-18 van de Wǒrin Sǒkpo in het deels holle standbeeld van een stenen wachter in de Sut’a-tempel in de provincie Kangwǒn. Ze werden toegevoegd door Yǒnsei Universiteit aan de fotografische editie van de delen 7-8 en 9-10 (1956-1957), met een inleiding door prof. Min Yǒng-gyu.
In 1959, kreeg professor Shim Chae-wan van de Yǒngnam Universiteit in Taegu, een kopie uit het midden van de 16e eeuw van deel 11 van de Sǒkpo sangjǒl uit de bibliotheek van abt Wǒnhyǒn van de Imhyu-tempel (Kyǒngsang Pukto).
Dat zelfde jaar werd de publikatie van de eerste wetenschappelijk studie van dit werk gevierd. Auteur was Yi Tong-nim, later professor en decaan op de Tongguk Universiteit, die deze studie had gepubliceerd. Ook Yi Pyǒng-gi was bij de viering aanwezig.
In 1960 kwam het eerste deel van de Wǒrinch’ǒn’gangjigok, dat bewaard was in de bibliotheek van een Sǒn (Zen) meester in de provincie Chǒlla, in het bezit van een gemeentelijk ambtenaar, Chin Ki-hong, die het liet publiceren. De publikatie door de antiquarische boekhandel T’ongmun’gwan in december 1961 werd gevolgd door nog minstens acht andere publikaties, sommige met vertaling in het modern Koreaans.
Terwijl het land rijker werd, met betere infrastructuur en meer tijd en geld voor academische bezigheden, werden meer oude werken ontdekt, tot op de dag van vandaag. Er verschenen meer herdrukken dan we kunnen opnoemen.
In 1962 kocht de bibliotheek van de Universiteit Yǒnsei de beschadigde eerste edities van Wǒrin Sǒkpo deel 13 en 14, die in 1982 werden gepubliceerd. In vol. 6 van de periodiek Tongbang hakchi verscheen de tweede helft van deel 23 (van 1559), met commentaar van Min Yǒng-gyu (1963). En er wordt gezegd dat een eerste editie van deel 23 zich in de bibliotheek van een anoniem persoon bevindt.
In 1966 kwam het nieuws dat waarschijnlijk eerste edities van de delen 23 en 24 van de Sŏkpo sangjŏl, licht beschadigd, bewaard werden in de Pǒpchu-tempel in de provincie Ch’ungch’ǒng Pukto. Dit bevestigde de theorie dat het hele werk uit 24 delen bestond. Ze werden naar Tongguk Universiteit gebracht en in 1967-68 gepubliceerd31.
In 1972 publiceerde de bibliotheek van de Sǒgang universiteit, Seoul, een eerste editie van de delen 1-2. Ook de Universiteit van Tokio in Japan zou eerste edities bezitten en in 1966 waren al delen 1,2 en 7 gepubliceerd in P’yǒngyang, Noord Korea.
Deel 22 is in stukken tot ons gekomen. Mei 1975 berichtte de krant Chosǒn Ilbo de ontdekking van vierentwintig beschadigde bladzijden uit de Wǒrin Sǒkpo met een verhaal dat niet in het Lied van Maanweerspiegeling of de Sǒkpo sangjǒl te vinden was. Men dacht dat dit een stuk uit deel 23 was uit de tweede helft van de zestiende eeuw32. Maar in juni 1982 kwam het nieuws van de ontdekking van een compleet deel 22 (142 bladzijden) door Kim Chong-gyu van de Uitgeverij Samsǒng die een eerste Uitgeverij Museum van Korea aan het voorbereiden was. Dit deel uit de zestiende eeuw met als kop ‘Wǒrin Sǒkpo, 22’ bevatte dat zelfde verhaal van Prins Goede Metgezel en Prins Slechte Metgezel dat in 1975 gevonden was en dat dus niet uit deel 23 kwam33.
In 1979 werd de tweede druk van Sǒkpo sangjǒl deel 3 ontdekt door Ch’ǒn Pyǒng-shik, die een uitgave van het licht beschadigde deel verzorgde, met noten en modern Koreaanse vertaling, in 1985. Hij vertelt niet in zijn inleiding waar en hoe hij dit deel ontdekte. In 1987 vond professor Chŏn Hye-bong Wǒrin Sǒkpo 11 en 12 tussen oude documenten in het bezit van een lagere school leraar die de professor had gevraagd naar zijn verzameling te kijken.
Tenslotte werd in 1999 een deels beschadigde eerste editie van Wǒrin Sǒkpo 19 ontdekt in de Kaya Universiteit, provincie Kyǒngsang Pukto, toen men bezig was de opening van een nieuw museum voor te bereiden. Dit deel bevat zestien onbekende cantos van het Lied van Maanweerspiegeling.
Wǒrin Sǒkpo delen 4, 15 en 25 zijn (deels) teruggevonden maar waren tot 2000 nog niet heruitgegeven.
Noten
- Lancaster p.54.
- Lancaster p.308. Verkorte Engelse vertaling uit het Chinees door Samuel Beal, 1875.
- Lancaster p.349-350. Engelse vertaling uit het Chinees door S. Beal (1883), die de Chinese vertaling toeschrijft aan Dharmaraksha.
- zie Buswell 2005.
- zie Ledyard 1966.
- zie Hoyt, James 1971; en de herziene, tweetalige uitgave van 1979. Beide zijn problematisch. Voor een nieuwe vertaling zie P.H. Lee 1975.
- Ledyard p.82, 95.
- Tekst in Han’gug-ǔi sasang taejǒnjip, v.8, Seoul: Tonghwa, 1972: 54-56.
- zie Yi Tong-nim, 1959: 26-28; en Yi Pyǒng-ju, 1967-1968, Haeje part, pp.22-25.
- vertaald in Korea Journal, vol.23:1 (Seoul, Jan. 1983), pp.13-20, en de complete vertaling in W.L. Idema & A. Olof (transl. and edited), The Legend of Prince Golden Calf in China and Korea, Amherst, N.Y., 2022, pp.211-228: The Story of Prince Allakkuk.
- Nagekeken in de electronische database die de hele canon omvat, de P’alman taejanggyǒng, een product van het Electronic Buddhist Text Initiative van 1994.
- L. Kohn (ed.), Daoism handbook, Leiden: Brill, 2000:426-429, 451-452.
- Kim Donguk, “History of Korean literature”, p.110-111.
- Sohn, Pow-key 1982:272. Zie ook zijn artikel in Kim-Renaud 1992 p.53-60, over Sejong’s politiek om druktechniek te bevorderen bv voor de Hunmin chǒngǔm en Yongbiǒch’ǒn’ga. De losse, ‘mobiele’ lettertypes kunnen na het drukken voor een andere tekst gebruikt worden.
- Een uitgebreide Engelse vertaling in: E. de Poorter, ed., As the twig is bent … Essays in honour of Frits Vos, Amsterdam, 1990, pp.127-153.
- Wanne J. Joe p.279.
- Professor G. Ledyard van Columbia University wees mij erop dat dit zingen van een boeddhistische tekst in spreektaal op het paleisterrein gebeurde in de Sajǒng Hall, en niet in een hal voor officiële ceremoniën. Zo’n uitvoering in een officiële hal aan het hof zou volgens Ledyard een storm van protest hebben veroorzaakt bij de confucianistische hovelingen, zelfs tijdens de regering van de pro-boeddhistische en meedogenloze Sejo.
- Haedong chamnok door Kwǒn O (1589-…) in: Taedong yasǔng, V, p.170.
- Sejong Changhǒn Taewang shillok, v.17, p.310.
- in: Ch’ugang naenghwa door Nam Hyo-on (1454-1492) ( Taedong yasǔng, I, p.349).
- Wagner, E.W. 1974:27
- cf. Chaoying Fang 1969, p. v: “edities met mobiele lettertypes bleven beperkt tot maximaal drie- of vierhonderd exemplaren.” Zie ook Kim, Tu-jong in de volgende noot.
- Kim, Tai-jin 1976:96 noemt koningin Chǒnghyǒn. Kim, Tu-jong 1981:175 somt de herdrukken van 1495 op: Myobǒpkyǒng ǒnhae 50 exemplaren, Nǔngǒmgyǒng ǒnhae 50 ex., Sǒkpo sangjǒl 20 exemparen, etc. Professor Yi Tong-nim zegt echter dat dit deel 11 van midden 16e eeuw is (Han’guk minjok munhwa taebaekkwa sajǒn [afgekort HMMTS], 12:123).
- Een aanhangsel bij het boek zegt, volgens de moderne redacteur mr. Ch’ǒn: “de Muryangsa op de Kwi’ak-berg”. De colophon van Wǒrin Sǒkpo deel 23 zegt: “de Muryang Grot[?] op de Kwi’ak-berg, Sunch’ang-ji, Chǒlla-do”. Dit moet dezelfde plaats zijn, maar het Chinese karakter (Grot?) na ‘Muryang’ in de colofon kan niet met zekerheid worden geïdentificeerd. Opvallend is ook dat in de laatste colofon de naam ‘Wǒrinch’ǒn’gangjigok’ verhaspeld wordt tot ‘Inwǒlch’ǒn’gangjigok’.
- Yi Tong-nim 1959:9. Ik ben prof. Ko, Yǒng-gǔn dankbaar voor zijn informatie hoe de naam Chitpang volgens de speciale idu-regels gelezen moet worden.
- de meeste details komen van Kim, Tu-jong 1981:249-264.
- zie HMMTS, vol.11:32.
- Lee, Jung-Shim 205-206.
- Alle feiten over Yi Pyǒng-gi komen uit zijn dagboek Karam Ilgi, een persoonlijke bron voor activiteiten van intellectuelen in de periode van de Japanse bezetting.
- Seoul Taehakkyo pusok Tosǒgwan 1966:134-135
- Yi, Pyǒng-ju, 1967-1968.
- Kim, Yǒng-bae 1975.
- foto in Kim-Renaud 1992:67. Het verhaal van de prinsen Sǒnu en Agu staat in het soetra Poǔn’gyǒng.
Engelse en Duitse bibliografie
Beal, Samuel, The romantic legend of Sâkya Buddha: from the Chinese-Sanscrit, London, 1875.
Beal, S., The ‘Fo-sho-hing-tsan-king’- a life of Buddha by Ašvaghosha bodhisattva (Sacred Books from the East, vol.XIX), Oxford University Press, 1883 (Delhi: Motilal Banarsidass, 1975, reprint).
Beal, S., Si-Yu-Ki. Buddhist records of the Western world. Translated from the Chinese of Hiuen Tsiang (A.D. 629), vol.I-II, London: Kegan Paul, Trench, Trübner & Co., 1906.
Buswell, R.E. (ed.), Currents and countercurrents: Korean influences on the East Asian Buddhist traditions, Honolulu: University of Hawai’i Press, 2005.
Fang, Chaoying, The Asami library: A descriptive catalogue, Berkeley: University of California Press, 1969.
Hoyt, James (transl. and introd.), Songs of the Dragons Flying to Heaven, Seoul: Korean National Commission for Unesco & Royal Asiatic Society, Korea Branch, 1971 [problematisch, niet aan te raden; zie Lee, Peter].
Joe, W.J., Traditional Korea: A cultural history, Seoul: Chungang University Press, 1977.
Kim, Dong-uk, History of Korean literature, Tokyo: Centre for East Asian Cultural Studies, 1980.
Kim, Tai-jin, A bibliographical guide to traditional Korean sources, Seoul: Korea University, 1976.
Kim-Renaud, Y.-K. (ed.), King Sejong the Great: The light of 15th century Korea, Washington, D.C.: George Washington University, The International Circle of Korean Linguistics, 1992.
Lancaster, Lewis R. (compiled by ~), The Korean Buddhist canon: A descriptive catalogue, Berkeley, etc.: University of California Press, 1979.
Ledyard, Gari K., The Korean language reform of 1446: the origin, background, and early history of the Korean alphabet (Ph.D. dissertatie, Berkeley: UCLA, 1966).
Lee, Jung-Shim, “Fifteenth century history and Buddhist approaches to colonial landscape in Hong Sa-yong’s writings from the early 1920s” in: R. Breuker (ed.), Korea in the Middle – Korean studies and area studies: essays in honour of Boudewijn Walraven, Leiden: CNWS publications, 2007: 204-219.
Lee, Peter H., Songs of Flying Dragons, Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1975.
Sasse, Werner & Jung-Hee An, Der Mond gespiegelt in Tausend Flüssen : das Leben des Buddha Gautama, in Verse gesetzt im Jahre 1447 von König Sejong, Seoul : Sohaksa, 2002.
Sohn, Pow-key (=Son, Pogi), Early Korean typography (New edition) [teksten in het Koreaans, Japans en Engels], Seoul: Pojinjae, 1982.
Sohn, Pokee (=Son, Pogi), Social history of the early Chosŏn dynasty. The functional aspects of governmental structure, Seoul: Jisik-sanup Publications Co., 2000.
Traulsen, Thorsten (annotated translation & introduction by ~), The moon reflected in a thousand rivers, Seoul: Jogye Order of Korean Buddhism, 2023.
Wagner, E.W., The literati purges: Political conflict in early Yi Korea, Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1974.
Koreaanse bibliografie
Han’guk minjok munhwa taebaekkwa sajǒn [Encyclopedie van de nationale cultuur van Korea], Sǒngnam, 1992, 2d print, vol.12.
Kim, Tu-jong, Han’guk koinswae kisulsa, Seoul: T’amgudang, 1981.
Kim, Yŏng-bae, “Shinpalgyǒn Wǒrin Sǒkpo hwesonbon-e taehayǒ” [“Een recent ontdekt beschadigd deel van de Wǒrin Sǒkpo”] in: Kugǒ kungmunhak nos.68-69, Seoul: Tongguk taehakkyo, 1975.
Ko, Yŏng-gŭn, P’yojun Chungse kugŏ munbŏmnon (kaejŏngp’an); Seoul: Chimmundang, 1997.
Sejong Changhǒn Taewang shillok, v.17, Seoul: Sejong taewang kinyǒm saǒphoe, 1976, 2e ed.
Seoul Taehakkyo pusok Tosǒgwan (publ.), Ilsa, Karam mun’go: Kosǒ chǒja mongnok, [Seoul,] 1966.
Taedong yasǔng (Kugyǒk), V: Haedong chamnok; Seoul: Minjok munhwa mun’go kanhaenghoe, 1985 (chungp’an).
Wǒrin Sǒkpo, kwǒn il, i, Seoul: Sǒgang taehakkyo Inmun kwahak yǒn’guso, 1972.
Yi Pyǒng-gi, Karam Ilgi, I-II, Seoul: Shin’gu munhwasa, 1976.
Yi Pyǒng-ju, Sǒkpo sangjǒl che 23,24 & haeje, (Tongak munnonjip, vol.5), [Seoul,] 1967- 1968.
Yi Tong-nim, Chuhae Sǒkpo sangjǒl, Seoul: Tongguk taehakkyo ch’ulp’anbu, 1959.
Enkele edities van de Wǒrinch’ǒn’gangjigok
1961. Charyo Wǒrinch’ǒn’gangjigok, sang & (1961) Nam Kwang-u, Wǒrinch’ǒn’gangjigok haeje, in: Kugǒhak, 1962, vol.1, Seoul: T’ongmun’gwan 資料月印千江之曲 ,上 & 南廣祐, 月印千江之曲 解題 (國語學 第 1 輯), 서울: 通文館.
1962. Hŏ Ung & Yi Kang-no, Chuhae Wǒrinch’ǒn’gangjigok , sang, Seoul: Shin’gu munhwasa 許雄 & 李江魯, 註解 月印千江之曲, 상; 서울: 新丘文化社.
1972. Yi Tong-nim (yǒk), , Wǒrinch’ǒn’gangjigok, (Han’gug-ǔi sasang taejǒnjip, 7, p.71-295) [v.I & II], Seoul: Tonghwa 李東林 (譯), 月印千江之曲 (韓國의 思想大全集, 7); 서울: 同和.
1974. Pak Pyǒng-ch’ae, Nonju Wǒrinch’ǒn’gangjigok (sang), Seoul: Chǒngǔmsa 朴炳采, 論註 月印千江之曲 (上); 서울: 正音社.
1978.Nam Kwang-u & Sǒng Hwan-gap, Wǒrinch’ǒn’gangjigok (Ŏmun ch’ongsǒ, 204), Seoul: Hyǒngsǒl 南廣祐 & 成煥甲, 月印千江之曲 (어문총서, 204); 서울: 螢雪.
1978. Wǒnbon yǒngin Han’guk kojǒn ch’ongsǒ (pogwǒnp’an), I: (Ŏhangnyu) Hunmin chǒngǔm, Wǒrinch’ǒn’gangjigok, [etc.], Seoul: Taejegak 原本影印 韓國古典叢書 (復原版), I: (語學類) 訓民正音, 月印千江之曲 (어문총서, 204); 서울: 螢雪.
1999. Pak Pyǒng-ch’ae, Nonju Wǒrinch’ǒn’gangjigok, Seoul: Seyǒngsa 朴炳采, 論註 月印千江之曲; 서울: 世英社.
2000. Hŏ Ung & Yi Kang-no, Chuhae Wǒrinch’ǒn’gangjigok, Seoul: Shin’gu munhwasa 許雄 & 李江魯, 註解 月印千江之曲; 서울: 新丘文化社.