Korea
De Wŏrinch’ŏn’gangjigok (Het lied van Maanweerspiegeling in Duizend Rivieren), deel I, door koning Sejong, 1449.
[In de vertaalde verzen wordt de Koreaanse vorm van eigennamen gegeven, in de noten de Indiase (in Sanskriet) of Chinese. In de vertaling wordt de Boeddha met hoofdletter aangeduid, in de noten met een kleine : Hij – hij; Zijn – zijn, enz. De noten berusten op commentaren van moderne Koreaanse edities en de Sǒkpo sangjǒl.]
Vroegere levens, geboorte en jeugd
[1] Hoe zou ik u alle onmetelijke deugden van de verheven machtige Boeddha van de Sŏkka kunnen vertellen!
noot: Śākya (Sŏkka) is de naam van de ‘stam’ waarin de Boeddha, de Śākyamuni (‘De wijze van de Śākya’s’), werd geboren.
[2] Ik zal u van de werken van de Geëerde vertellen. Werken tienduizend li hier vandaan verricht, maar ik hoop dat u het idee heeft deze met eigen ogen te zien!
Ik zal u van de woorden van de Geëerde vertellen. Woorden duizend jaar geleden gesproken, maar ik hoop dat u het idee heeft deze met eigen oren te horen!
noot: De Geëerde (of de ‘Wereld-Geëerde’; in Sanskriet: Bhagavat) is een van de tien namen van de Boeddha.
Tien duizend li staat voor “heel ver”. De precieze lengte van een li wisselde in de loop van de Chinese (en Koreaanse) geschiedenis: 415 m. in de eerste en tweede eeuw, 323 m. vanaf de zevende eeuw. In vers 153 wordt verteld dat de Boeddha twintig li op een dag kon lopen.
[3] In het kalpa van een vroeger bestaan in lang vervlogen tijden gaf hij de troon op en betrok Zijn kluizenaarshut.
In dat vroegere bestaan roofden vijfhonderd boeven de nationale schatten en liepen langs Zijn hut.
noot: Een kalpa is een astronomisch lange periode. In een vroeger leven van de Geëerde, toen hij een bodhisattva was, een toekomstige Boeddha, was hij een koning maar deed troonsafstand ten gunste van een jongere broer. Hij werd kluizenaar met de naam Kleine Gautama en niemand wist wie hij geweest was.
[4] De koning herkende zijn oudere broer niet. Hij volgde de voetsporen en doorboorde Hem tegen een boom, en zo stierf Hij.
Hij was kinderloos, maar Zijn meester verzamelde Zijn bloed in kommen, en bracht zo een jongen en meisje voort.
noot: De nieuwe koning ziet de kluizenaar aan voor een van de rovers en brengt hem ter dood. Meester Grote Gautama (Taegudam) ving de bodhisattva’s bloed op in twee kommetjes en vereerde deze. Tien maanden later kwam er een jongen uit de linker kom, en een meisje uit de rechter. (Zie de noot bij vers 31)
[5] Dat na Zijn jammerlijke dood de Kamja clan ontstond was het werk van Taegudam.
Dat Hij in een ver toekomstig leven de Sŏkka Boeddha zou worden, was voorspeld door Pogwang Boeddha.
noot: En zo kwam de Kamja (‘Suikerriet’) clan ter wereld, genaamd naar het Suikerriet Park waar de bodhisattva had geleefd. Later, toen de heilige Sumedha van deze clan leraar was, voorspelde Boeddha Dīpamkara (Pogwang) zijn toekomst als de Śākya Boeddha.
[6] Vijfhonderd volgelingen van een ander geloof ontvingen Sŏnhye’s verdiensten. Ze werden Zijn leerlingen, en schonken Hem zilveren munten.
Toen Ku’i, die bloemen verkocht, Sŏnhye’s bedoeling begreep, schonk ze Hem haar bloemen, met de wens hem te trouwen.
noot: De heilige Sumedha (Sŏnhye) wilde bloemen kopen om aan Boeddha Dīpamkara te offeren, maar het verkoopstertje Gopikā (Ku’i) verborg de bloemen in een vaas. Maar, aangetrokken door Sumedha’s zuivere bedoeling, kwamen deze omhoog uit de vaas. Toen Gopikā vernam waarom hij de bloemen wilde hebben, schonk ze deze aan Sumedha in ruil voor de belofte in een toekomstig leven met haar te trouwen.
[7] Vijf en twee bloemen hingen in de lucht, dus de Acht Groepen van Deva’s en Draken prezen Hem.
Midden op de weg spreidde Hij Zijn kleren en haar uit, dus Pogwang Boeddha herhaalde de belofte.
noot: De bloemen die Sumedha offerde bleven in de lucht hangen in de vorm van een parasol. De Acht Groepen van Devas en Draken zijn hemelse wezens. Later spreidde Sumedha zijn kleding van hertenhuid en zijn lange haar uit over een modderige weg voor de Boeddha Dīpamkara om over heen te lopen. De Boeddha herhaalde toen zijn voorspelling.
[8] Zoals de zeven bloemen aangaven, was Zijn belofte oprecht, dus in de loop van meerdere incarnaties werd zij Zijn vrouw.
Zoals de vijf dromen aangaven was Zijn belofte helder, dus in onze dagen werd Hij de Geëerde.
noot: Gopikā werd inderdaad de vrouw van Sumedha. Nadat Sumedha monnik was geworden vertelde hij Dīpamkara van vijf geheimzinnige dromen, waarin hij dreef op de golven van de oceaan en de zon vastgreep. Dīpamkara legde uit dat al deze dromen bevestigden dat Sumedha een toekomstige Boeddha was.
[9] Aan het begin van de Verheven Periode stonden duizend blauwe lotussen in bloei, een aankondiging van toekomstige gebeurtenissen.
De Deva van de Vierde Meditatie zag dit en wist, het verleden beschouwend, dat duizend Geëerden zouden verschijnen.
noot: Aan het begin van het nieuwe kalpa (zie noot 3) ontwaardde de Deva (god) van het Zuivere Verblijf, Śuddhāvāsa-deva, hoe duizend lotussen in volle bloei stonden en begreep de symbolische betekenis.
[10] Aangezien iedereen ruziede, stelden ze een Koning der Rechtvaardigheid aan. Hij was van de Kudam-familie.
Omdat de echtgenote kwaad sprak, vertrok Iru. En de Sŏkka clan kwam uit hem voort.
noot: De mensen leefden eerst in een paradijs.Toen ze later behoefte kregen aan voedsel, begonnen ze dat te stelen. Dus er was een rechter nodig, en een Gautama (Kudam) werd benoemd.
Later was er een koning met twee echtgenotes. De eerste vrouw schonk hem een zoon, Changsaeng. De tweede vrouw bracht vier zonen ter wereld, en de oudste was Iru. De eerste koningin sprak kwaad van Iru die daarop besloot te vertrekken.
[11] Changsaeng was onwaardig, dus de ander ging heen. Maar het hele volk volgde hem.
Iru was wijs, en dacht: “Ik vertrek, maar onze vader weet dat ik gelijk heb.”
noot: Iru migreerde met zijn volk naar een gebied waar de toekomstige Boeddha geboren zou worden.
[12] Toen de tijd voor zijn volgende leven als de Boeddha naderde, verbleef Hij in de Tosŏl-hemel, en Hij sprak van de Leer tot de werelden in alle tien richtingen.
De Sŏkka clan bloeide, dus wilde Hij naar Kapilavastu afdalen en van daar de Leer verspreiden naar de werelden in alle tien richtingen.
noot: Voor zijn wedergeboorte op aarde verspreidde de Boeddha zijn boodschap, de Leer, in de hemel en andere werelden. Hij koos de stad Kapilavastu (Koreaans: Ka’iguk) waar de afstammelingen van Iru leefden, als de plaats voor zijn geboorte op aarde.
[13] Aangezien vijf slechte voortekens en vijf goede voorspelden dat Hij in onze Yŏmbuje-wereld geboren zou worden, waren alle deva’s bedroefd.
Aangezien Hij de banier én de Gemeenschap van de Leer zou oprichten en deva’s en mensen dan samen zouden komen, waren alle deva’s verheugd.
noot: Een beschrijving van de wisselende gemoedstoestand van de goden die eerst de tekens van zijn vertrek uit de hemel naar Jambudvīpa (Yŏmbuje), onze huidige wereld, betreuren, en zich dan verheugen omdat zijn vertrek ook hen ten goede zal komen.
[14] Met het opkomen van de Pulsŏng-ster besteeg Hij een witte olifant en begaf zich door de schijnende zonnestralen.
Hemelse muziek werd uitgevoerd, en alle deva’s volgden Hem temidden van een hemelse bloemenregen.
noot: Terwijl de Pusya-ster (Pulsŏng) scheen, verliet hij de hemel en daalde af, temidden van vele goede voortekens, naar de aarde.
[15] In Maya’s droom ging Hij via haar rechterzij binnen en haar verschijning was als kristal.
Op de vraag van Chŏngban gaven de waarzeggers hun oordeel: “Een wijze zoon zal geboren worden en het Juiste Inzicht verwerven.”
noot: Koningin Maya van Kapilavastu zag in een droom hoe een witte olifant haar schoot binnenging. Ze vertelde haar man, koning Śuddhodana (Chŏngban , “Zuivere Rijst”), van de droom, die deze liet uitleggen door waarzeggers. Het Juiste Inzicht is de opperste wijsheid van een Boeddha.
[16] De drieduizend grote werelden schitterden helder, hoge hallen verschenen. Zijn moeder echter, of ze nu zat of wandelde, merkte niets van Hem.
Boeddha’s en bodhisattvas kwamen. Deva’s en geesten luisterden hoe hij dag en nacht de Leer verklaarde.
noot: In de kosmos verschenen de mooiste voortekens, maar koningin Maya merkte niets van haar zwangerschap. En de hele tijd zwermden onzichtbare hemelse wezens om haar heen om de toekomstige Boeddha te horen die vanuit haar schoot predikte.
[17] Toen dag en maand waren aangebroken, bezocht de moeder het Piram Park.
Er waren vele goede voortekens, dus haar vader kwam ook naar de Boom der Zorgeloosheid.
noot: Toen koningin Maya voelde dat haar tijd naderde ging ze naar het Lumbini (Piram) Park en liet een boodschapper de koning vertellen van alle gunstige voortekens die ze zag. De Wŏrin Sŏkpo vertelt dat de koning toen ook kwam, maar in canto 23 staat dat die later kwam. De koning is hier haar vader naar wie ze onderweg was, koning van een naburig land.
[18] Temidden van de vele gelukkige gebeurtenissen die Hem altijd vergezellen, waren de hellen leeg, en de Pulsŏng ster daalde af.
Luisterrijk, altijd helder, schitterden alle Boeddha’s, én de glanzende Maanjuweel hing daar.
noot: Een beschrijving van alle wonderen rond de zwangere koningin. De Pusya ster is in [14] al genoemd, en de Maanjuweel is een wonderbaarlijke parel die in het paleis verscheen. Boeddha’s uit andere perioden woonden het grote gebeuren bij.
[19] Een tak van de Boom der Zorgeloosheid boog neer, en de moeder pakte die beet, en op de achtste dag van de vierde maand werd Hij uit haar rechterzij geboren.
Lotusbloemen verschenen, en de Wereld-Geëerde liep over hen heen, zeven stappen in al de vier richtingen.
noot: Een tak boog neer om haar te helpen, en toen ze die pakte, kwam de prins uit haar zijde. Hij kon meteen lopen, en deed zeven stappen in alle vier richtingen, voorzichtig, over de lotusbloemen.
[20] Wijzend met de rechterhand naar de hemel, en met de linkerhand naar de aarde, sprak Hij: “Ik ben de enige Geëerde.”
Links en rechts van hem lieten negen draken warm en koud water over hem neer komen, en baadden Hem.
noot: Op zijn eerste aankondiging, met leeuwenstem uitgesproken, goten hemelse draken geurend water over hem uit.
[21] “De Drie Werelden lijden,” sprak Hij. Hemel en aarde beefden krachtig door Zijn diepgaande welwillendheid.
“Ik zal troost brengen aan de Drie Werelden”, beloofde Hij. Zijn oprechtheid bracht licht aan al de grote duizend werelden.
noot: De Drie Werelden (Triloka) zijn de wereld van zinnelijk verlangen, de wereld van vorm en de vormloze wereld van zuivere geest. De Boeddha weet dat ook zuivere geesten kunnen lijden tot zij Nirvana binnengaan. Het beven van de aarde was een gunstig teken in India. De grote duizenden werelden worden genoemd in canto [16].
[22] De Acht Groepen van Deva’s en Draken, bewust van Zijn grote deugd, zongen vol vreugde.
Maar Mawang-p’asun was jaloers op Zijn grote deugd en kon in zijn angst zijn rusteloosheid niet tot bedaren brengen.
noot: De Acht Groepen (zie [7]) waren verheugd, maar de Koning van het Kwaad, Māra Pisuna (Mawang-p’asun), was bang zijn rijk en macht te verliezen, en bereidde zich voor op verzet tegen de bodhisattva.
[23] Hofdames wikkelden Hem in zijden kleren en brachten Hem naar Zijn moeder. Machtige geesten begeleidden Hem.
Toen hij van een dienaar het nieuws vernam, verheugde de vader zich en kwam met een gevolg van clanleden.
noot: Nu verschijnt de echtgenoot van de koningin in het park (zie canto [17]).
[24] En alle koningen, bedienden en woningbezitters kregen een zoon, en evenzo de Sŏkka.
Olifanten, koeien, schapen en stalpaarden kregen een nakomeling, en ook Kŏnt’ŭgi werd geboren.
noot: Op diezelfde dag werden vijfhonderd Śākya zonen in het koninkrijk geboren, en ook vijfhonderd mannelijke huisdieren, onder wie het latere paard van de prins, Kanthaka (Kŏnt’ŭgi).
[25] De brahmanen erkenden de Boeddha’s deugd en riepen: “Hoera!”
De udamballa onthulde de geboorte van de Boeddha door haar gouden bloemen te ontvouwen.
noot: De tekst noemt de brahmanen, de hoogste Hindoe klasse, ‘heterodox’ want (nog) niet bekeerd tot het boeddhisme. De udumbara boom (udamballa) bloeit niet alleen eens in de drieduizend jaar, maar ook om de geboorte van een Boeddha te vieren.
[26] Het is onmogelijk om op één dag de grote glorie en overdaad aan goede voortekens te beschrijven.
Het is onmogelijk om op één dag de samenkomst van talrijke deva’s, draken, mensen en geesten te beschrijven.
noot: Einde van de lyrische beschrijving van de geboorte van de toekomstige Boeddha van onze tijd. We gaan nu naar China, het andere centrum van de beschaafde wereld.
[27] So Yu begreep en verklaarde de gunstige tekens die koning Syo van Chu had gezien; dus werd een steen aan de Zuidkant begraven.
Pu Ŭi begreep en verklaarde de gunstige droom van keizer Myŏng van de Han; dus werden gezanten naar het Westelijk Gebied gestuurd.
noot: Op de dag dat de Boeddha werd geboren, verschenen allerlei gunstige tekens in China. Minister Su You (So Yu) vertelde koning Zhao (Syo; 1052-1001 voor onze jaartelling) van de Zhou (Chu)-dynastie dat de tekens de geboorte van een Boeddha aankondigden. De koning liet de boodschap in steen beitelen die voor het nageslacht begraven werd.
Eeuwen later droomde keizer Ming (Myŏng; 58-75 AD) van de Han-dynastie van een man van goud, en minister Fu Yi (Pu Ŭi) legde uit dat deze gouden man de Boeddha was, waarop de keizer een gezantschap naar het Westelijk Gebied (India) zond om meer te weten te komen over het boeddhisme. Zij kwamen terug met boeddhistische monniken en soetra’s, en zo kwam volgens de traditie het boeddhisme naar China.
[28] In een opgedroogde vijver zogen talloze bloedzuigers onder de schubben van een grote kronkelende draak.
Onder Zijn veelbelovende vijfkleurige wolk bogen talloze mensen diep voor de Tathāgata.
noot: Een andere scene in het oude China. Deze draak is een reincarnatie van de taoïstische god Zitong (Chadong) die in een opgedroogde vijver woonde waar hij leed onder de hitte en de bloedzuigers die aan zijn lichaam vastzaten. Op een morgen verscheen de Boeddha (Tathāgata) in een vijfkleurige wolk en iedereen in hemel en op aarde zong zijn lof.
Deze episode komt niet uit de boeddhistische canon. De Koreaanse samenstellers van de Sŏkpo sangjŏl kwamen het mogelijk tegen in het Chinese taoïstische werk Zitong dijun hua shu van 1316.
[29] Hij werd zich bewust van de komst van de Geëerde en verhief zich. En de Boeddha sprak: “Geef je oude intenties op.”
Hij hoorde de stem van de Geëerde, keek over zijn schouder en zag dat zijn lichaam hersteld was.
noot: De draak verhief zich in de hemel en smeekte de Boeddha hem te helpen. De Boeddha erkende zijn vroegere verdiensten en vertelde hem alle gedachten aan wraak op zijn vijanden op te geven. Waarop de draak zijn menselijke gestalte terugkreeg.
[30] De fysiognomisten verzamelden in de Grote Hal der Juwelen. Ze zagen Hem en wisten dat Hij een monnik en een Boeddha zou worden.
Asat’a, die op de Geurige Berg woonde, zag Hem ook, en beklaagde zijn eigen gevorderde leeftijd.
noot: De koning van Kapilavastu gelastte wijze mannen om lichaam en gelaat van de pasgeborene te ‘lezen’ en zo zijn toekomst te voorspellen, en alle vijhonderd fysiognomisten waren het eens dat de kleine prins een groot heerser zou worden, of een Boeddha. Ze betreurden het dat de heilige Asita (Asat’a) te ver weg leefde om de ceremonie bij te wonen en zijn mening te geven. Echter, met zijn magische krachten wist de oude wijze van de geboorte, en hij verscheen spoedig aan het hof. Hij ‘las’ de tweeëndertig bijzondere tekens op het lichaam van het kind, en betreurde het feit dat hij vanwege zijn hoge leeftijd niet mee zou maken hoe de jongen een Boeddha zou worden.
[31] Het leven van de moeder was kort, maar omdat tien maanden voldoende waren, daalde Hij op de vijftiende van de zevende maand af naar de aarde.
Na de geboorte van haar zoon leefde zij nog maar zeven dagen en steeg op de vijftiende van de vierde maand op naar de hemel.
noot: De toekomstige Boeddha had koningin Maya als zijn moeder uitgekozen in de wetenschap dat zij spoedig na zijn geboorte zou sterven. Want als een verlicht wezen kon hij geen vrouw langere tijd als moeder dienen. Na haar opstijging naar de hemel zorgde haar zuster Mahāprajāpatī (Tae’aedo) voor de kleine prins.
In Oost-Azië rekende men tien maan-maanden voor zwangerschap. (Een maan-maand is een of twee dagen korter dan de moderne zonnemaand.) Maar koningin Maya lijkt hier toch negen maanden zwanger te zijn geweest (of tien met een schrikkelmaand).
(32) Deva’s en geesten bevestigden de woorden der brahmanen, en zo werd Hij ‘Salbashiltal’ genoemd.
Deva’s en geesten weerhielden Zijn vader ervan Hem te laten buigen, en zo werd Zijn naam ‘Deva onder deva’s’.
noot: De koning verzocht de brahmanen de naam Sarvasiddhārtha (Salbashiltal) voor de prins te kiezen (dat betekende ‘Begiftigd met Gerechtigheid’) en alle hemelse wezens stemden in. Toen de koning echter zijn zoon naar een tempel bracht en hem voor de goden wilde laten buigen, verschenen de goden zelf en bogen voor hem!
[33] Indachtig de woorden van de fysiognomisten en de rsi, zat de koning dag en nacht te piekeren.
Hij liet de Hal der Zeven Juwelen versieren, en koos vijfhonderd courtisanes uit, en dag en nacht probeerde hij Hem te verleiden.
noot: Omdat de waarzeggers hadden voorspeld dat de prins of een verlicht wezen of een universele heerser zou worden, probeerde de koning zijn zoon te verleiden zich aan pracht en praal en mooie meisjes over te geven, in de hoop dat hij dan niet naar verlichting zou streven.
[34] Op hun hoofd droegen ze water van de vier zeeën aan, goten het over Zijn hoofd en zo werd hij tot kroonprins gewijd.
Het diamanten wiel-juweel vloog rond, dus van alle landen in de wereld kwamen mensen Hem opzoeken.
noot: Een paar jaar later werd de prins in een ceremonie door de koning tot kroonprins gewijd. Edelen en heiligen waren getuige.
In de Indiase traditie is het diamanten wiel-juweel een magisch wiel dat de souverein bijstaat in het bestuur van het land.
[35] Miltara had zich door studie twee schriften eigen gemaakt. Daardoor kon hij de kroonprins niet veel leren.
De kroonprins had zich zonder studie alle vierenzestig schriften eigen gemaakt. Daardoor gaf Hij Miltara les.
noot: De koning liet de meester Viśvāmitra (Miltara) zijn zoon les geven. De meester vertelde de kroonprins dat hij hem twee buitenlandse schriften zou leren. Zijn leerling verklaarde evenwel dat hij veel meer kende en noemde alle vierenzestig schriften op. Zo werd de leerling leraar.
Volgens boeddhistische bronnen waren er driehonderd talen en vierenzestig schriften in de wereld.
[36] De leden van de Sŏkka-stam spraken: “Als de kroonprins een monnik wordt, betekent dat het einde van de dynastie.”
De vader sprak: “Wiens dochter kies ik om mijn schoondochter te zijn?”
noot: De Śākyas brachten de koning hun diepe zorgen over dat als de prins monnik werd, er geen troonopvolger zou zijn, en dit het einde van het koninklijk huis zou betekenen.
[37] De kroonprins maakte een gouden beeld van zijn toekomstige bruid, en bracht daarin alle deugden van een echtgenote aan.
Zij leek op het gouden beeld, dus de dochter van Sŏkka Chipchang ontving het kristal van Hem.
noot: Prins Siddhārtha hoorde van de zorgen en maakte een beeld van zijn toekomstige echtgenote. De dochter van Dandapāni (Chipchang “De stafdrager”) was het treffende evenbeeld. Haar naam was Gopikā (Ku’i),of ook wel Yasu(dara) (zie canto 56). Zij ontving een kristal als teken van hun verloving.
[38] Hij zocht een schoonzoon, maar had geen vertrouwen in Zijn talenten en luisterde niet naar de woorden van de koning.
Ook Zijn vader had twijfels over Zijn talenten, en hij riep alle inwoners bij elkaar.
noot: Toen Chipchang de talenten van de kroonprins in twijfel trok en de koning niet gehoorzaamde, werd deze onzeker en riep alle inwoners van de stad bijeen om een wedstrijd om de hand van Ku’i bij te wonen.
[39] Nant’a en Chodal schopten de olifant omver. Er was geen verschil in hun krachten.
De kroonprins gooide zonder hulp de olifant in de lucht en ving hem toen op. Zo versloeg Hij hun gezamenlijke krachten.
noot: Men stuurde een grote witte olifant naar de kroonprins om hem te halen voor de wedstrijd, maar zijn neef en tegenstander Devadatta (Chodal) doodde het dier in de stadspoort. Vervolgens verwijderde Nanda (Nant’a), halfbroer van de prins, het lijk uit de poort. De kroonprins overtrof hen beide door het lijk ver weg te gooien.
[40] Het ontbrak hun zo aan een scherpe blik dat hun pijlen slechts drie trommels doorboorden.
Zijn goddelijke kracht was zo sterk dat die ene pijl van Hem vier maal zeven trommels doorboorde.
noot: Boogschieten was een onderdeel van de wedstrijd. IJzeren trommels waren het doelwit. De jonge Śākya’s legden het af tegen de kroonprins’ verbluffende vaardigheid.
[41] De pijl boorde zich in de aarde en een zoetwaterbron borrelde op, die alle levend wezens verkwikte.
De pijl bleef in een berg steken, en werd voor eeuwig in een pagode in de hemel geplaatst.
noot: De pijl van de prins doorboorde de aarde en vervolgens de Wereld-omcirkelende Berg. Deva’s behielden de pijl als reliek. En zo won de tien jaar oude Siddhārtha de wedstrijd.
[42] Zij schikte de boemen en spreidde een witte deken uit, en ze zaten samen neer.
“De dauw op de bloemen zal ons nat maken. De witte deken zal vuil worden.” En dus gingen ze apart zitten.
noot: Toen de prins zeventien was trouwden ze. Gopikā deed een poging hun bed klaar te maken en op te sieren, maar de vrome Siddhārtha maakte bezwaar, en de huwelijksdaad werd uitgesteld.
Ascese en verlichting
[43] Hij is een Boeddha van ontelbare kalpa’s. Ook al zag Hij de dood feitelijk niet, Hij was zich er terdege van bewust.
Schone Vaas, de Deva van het Zuivere Verblijf, werd een dood insekt, en toen Hij dat zag was het alsof Hij alles begreep.
noot: Op een dag zat de prins te kijken hoe een veld geploegd werd. Zijn beschermengel, Śuddhāvāsa-deva (Schone Vaas), besloot hem te helpen in zijn geestelijke ontwikkeling en veranderde zichzelf in een insekt dat door de ploeg omhoog kwam, en door een vogel werd gepakt. Toen werd de prins zich weer bewust van zijn ingeboren kennis van leven en dood.
[44] Tijdens een uitstapje naar de Oostpoort, en naar de Zuidpoort, zag Hij een oude man, en een zieke, en Hij werd bewogen.
Tijdens een uitstapje naar de Westpoort, en de Noordpoort, zag Hij een lijk, en een monnik, en Hij voelde nog sterker een drang.
noot: Dit zijn de beroemde vier ontmoetingen die de prins had nadat hij toestemming kreeg van zijn vader om zich buiten de paleisgronden te begeven. Zijn vader had het geregeld dat zijn zoon alleen gelukkige en gezonde mensen zou zien, maar de Deva van het Zuivere Verblijf verscheen achtereenvolgens als een oude man, een zieke, een lijk en een monnik. Bij iedere ontmoeting kreeg de prins te horen dat dit ook ware gezichten van het leven waren.
[45] Hij sprak tot Zijn vader en had vier verzoeken, and Hij was van plan zijn thuis te verlaten.
Hij pakte de handen van de Prins en vergoot tranen, en liet de poorten sluiten.
noot: Na de vier ontmoetingen vertelde de prins zijn vader dat hij voor altijd jong en gezond wilde blijven en nooit sterven, of hij wilde een monnik worden. Zijn vader kon deze wensen niet inwilligen, en hem ook niet toestaan de profane wereld te verlaten.
[46] In Zijn hart vol piëteit overwoog Hij de toekomst, en Hij wees naar Ku’i’s schoot.
In haar smartelijk hart was ze bezorgd dat Hij haar zou verlaten, en ze nam naast de prins plaats.
noot: Siddhārtha besefte dat hij de plicht had voor een opvolger te zorgen en voorspelde dat ze binnen vijf jaar een zoon zou baren, maar Gopikā (Ku’i) wist van zijn plannen en probeerde zijn vertrek te verijdelen.
[47] Zijn vader piekerde en probeerde Zijn deugdzame geest in te tomen door middel van mooie meisjes en zang.
Met zijn macht wilde de Chŏnggŏch’ŏn Zijn wereldse neigingen intomen door middel van liederlijke meisjes en zang.
noot: De koning probeerde zijn zoon af te leiden met mooie meisjes, maar de Deva van het Zuivere Verblijf (Chŏnggŏch’ŏn) liet ze inslapen, en toonde de prins het misleidende karakter van hun schoonheid.
[48] Dat Hij over de vier continenten zou heersen met de Zeven Juwelen en duizend zonen was de wens van de vader.
Dat Hij het Ware Inzicht zou verwerven en de grote duizenden werelden zou verlichten was de wens van de zoon.
noot: De tegenstelling in de diepe wensen van de vader en de zoon. De Zeven Juwelen zijn: 1) de diamanten discus (zie vers 34); 2) witte olifanten; 3) lieflijke vrouwen; 4) paarden; 5) parels; 6) dappere legerleiders; 7) een betrouwbare schatmeester.
Voor het Ware Inzicht zie vers 15.
[49] Een meisje maakte haar gezicht op om hem te verleiden, en ze hing een slinger van Malli-bloemen om Zijn nek.
Maar de deugdzaamheid van de prins was sterk, dus zij verwijderde onder Zijn strenge blik de Malli-bloemenslinger en gooide die weg.
noot: Een van de courtisanes doet een vergeefse poging hem te verleiden met een Malika (Malli)-bloemenslinger.
[50] Met de bedoeling monnik te worden, zond Hij Zijn stralenbundel op naar de hemelen, en alle hemelse godheden daalden af.
Omdat het Zijn tijd geworden was om monnik te worden, kwam ook Osoman om de hele stad in slaap te brengen.
noot: Jaren later was het de voorbestemde nacht om te vertrekken, en omdat de koning hem dag en nacht door bewakers liet omringen, stuurden de goden Vésamuna (Osoman; een minder bekende godheid) om ervoor te zorgen dat iedereen in diepe slaap zou zijn.
[51] Meisjes, opgemaakt met poeder, rouge en bloemen, hadden wereldse liedjes voor Hem gezongen.
Maar op deze dag hoorde Hij, in het schijnsel van de Juwelen-vaas, de Vuur-parel en Pulsŏng-sterren, goddelijke liederen!
noot: De hemelse goden zongen en bijzondere sterren schitterden als juwelen. Voor de Pulsŏng-ster zie [14].
[52] Wie van zijn talrijke bedienden en paarden zal Hem vergezellen?
Ch’aigi en Kŏnt’ŭgi waren met Hem op dezelfde dag geboren, dus zij gingen Hem begeleiden.
noot: Om uit de stad te kunnen vertrekken verliet de prins zich op zijn wagenmenner Chandaka (Ch’aigi) en zijn paard Kanthaka (Kŏnt’ŭgi), die allebei op zijn geboortedag ter wereld waren gekomen. Zie ook vers [24].
[53] In het volle besef van Zijn verworvenheden als asceet in de loop van vorige kalpa’s, had Hij geen twijfels of Hij de Weg zou bereiken.
Daar Hij in de toekomst Zijn onvermoeibare energie aan alle levende wezens zou tonen, beloofde Hij: “Ik zal niet weerkeren.”
noot: Siddhārtha wist dat hij in wijsheid eeuwige rust kon vinden, maar hij wilde eerst alle levende wezens helpen. Dus legde hij de plechtige belofte af niet naar Kapilavastu terug te keren voor hij de Weg had gevonden.
[54] De werelden lichtten op in alle tien richtingen toen hij met leeuwenstem sprak, en Hij trok over de stadsmuren in de richting van de bergen.
De Vier Hemelse Koningen begeleidden Hem, en alle deva’s hielden de voeten van het paard omhoog. Zo reed Hij door de luchten tot Hij in de bergen kwam.
noot: Hij verliet de stad met hulp der goden die hem met zijn paard en bediende over de stadsmuur tilden. De Vier Hemelse Koningen zijn de vier deva-wachters die de wereld beschermen en die men tegenwoordig bij de ingang van de meeste boeddhistische tempels aantreft.
[55] In het Woud van Soberheid in de Sneeuwbergen, sneed Hij zijn haren af, en trok erop uit om Zich van alle misleiding te bevrijden.
Hij overhandigde Zijn met juwelen bezette muts aan Ch’aigi om het Ware Inzicht te bereiken, en dan pas terug te keren.
noot: In een woud in de Himalayas sneed hij zijn vlecht af als teken dat hij nu een monnik was, en stuurde Chandaka naar huis met zijn koninklijke ornamenten.
[56] Yasu weende, maar Chesŏk had andere gevoelens, en plaatste het haar van de prins in een pagode.
De vader was bedroefd, maar Chŏnggŏch’ŏn had andere gevoelens, en kleedde de prins in een kāsāya.
noot: Toen Chandaka thuiskwam en alles verteld had, barstte Yasudara in tranen uit. De god Indra (Chesŏk) echter plaatste het afgesneden haar plechtig in een schrijn. De Deva van het Zuivere Verblijf, Chŏnggŏch’ŏn, kleedde Siddhārtha in de kāsāya, de kledij van een monnik.
[57] Toen de met juwelen bezette muts binnen werd gedragen viel de vader ter aarde en weende.
Toen Kŏnt’ŭgi binnen werd gebracht omarmde de echtgenote van de prins de paardennek, en weende.
noot: Hartbrekende taferelen in het paleis. In een andere versie van het verhaal keert het paard Kanthaka niet terug maar sterft aan een gebroken hart.
[58] Na drie jaar studie onder Aram-garan, werd Hij een meester in de meditatie over de Leegte.
Na drie jaar studie onder Ulturambul, werd Hij ook een meester in de meditatie over Niet-niet-denken.
noot: Siddhārtha ging eerst naar de heilige Ālāra Kālāma (Aram-garan), en koos later Udra-Rāmaputra (Ulturambul) als leraar. Met beide meesters had hij lange gesprekken, over het ‘Niet-bestaan’, en ‘Noch denken noch niet-denken’, maar ze werden het niet eens. In andere boeddhistische werken wordt Aram-garan opgevoerd als twee personen.
[59] In een vorig leven was Yasu zes li lang nalatig, en moet nu een zwangerschap van zes jaar dragen.
In een vorig leven vergat Na’un zes dagen lang (de heilige man), en moet nu zes jaar wachten op zijn geboorte.
noot: Een karmische verklaring waarom de zwangere Yasudara, pas zes jaar nadat haar man haar had verlaten, hun zoon Rāhula (Na’un) ter wereld kon brengen.
Het volgende verhaal wordt verteld in het Indiase soetra Lalitavistara (De Grote Pracht): Een moeder en dochter melken hun koeien ieder dag. Op een dag wil de dochter even uitrusten en vraagt haar moeder de emmers te dragen. Maar ze laat haar moeder dit zes li lang doen en moet daarom in haar huidige leven de gevolgen dragen.
Op dezelfde wijze laat koning Chandra een heilige man opsluiten, en vergeet hem dan zes dagen lang. Daarom zit zijn nieuwe incarnatie, Rāhula, zes jaar lang opgesloten in Yasudara’s baarmoeder.
[60] Na de geboorte van Na’un groef ze een kuil en stak een vuur aan, zodat de koning en hovelingen haar verdachten.
Toen Yasu het water inliep stopte de stroming, een lotusbloem ging open en koning en hovelingen waren gerustgesteld.
noot: Toen Yasudara de nageboorte verbrandde werden haar schoonvader en de anderen argwanend, dus lieten ze haar een test ondergaan. Ze zei dat ze de baby in het water zou leggen en dat die dan zou blijven drijven als bewijs dat hij de zoon van haar echtgenoot was. Een lotusbloem hief het jongetje boven het wateroppervlak en zo werden alle twijfels verdreven.
[61] Hij bracht zes sobere jaren door op de berg Kasa, en eksters brachten hun kleintjes groot op Zijn hoofd.
Toen ze het verslag van Kyojinyŏ gehoord hadden, waren ze alle drie bedroefd, en stuurden een wagen vol kostbaarheden naar Hem toe.
noot: In het koninkrijk Magadha, op de berg Gayāsīrsha (Kasa), beoefende Siddhārtha zelfdiscipline. Hij zat roerloos, en een paartje eksters maakte hun nest op zijn hoofd. (In de negende illustratie in Wǒrin Sǒkpo deel I zit een ekster op Siddhārtha’s hoofd.)
Zijn vader had de brahmaan Kaundinya (Kyojinyŏ) erop uit gestuurd om nieuws te vernemen. Toen ze dat nieuws kregen stuurden Siddhārtha’s vader, stiefmoeder en vrouw allerlei dingen naar hem maar hij weigerde die.
[62] Toen ze takken afbraken om Zijn gelaat ermee te kwellen, liet Hij zich geen moment van de wijs brengen!
Toen Hij slechts één rijstkorrel at en graatmager werd, veranderde Zijn gouden glans in het geheel niet!
noot: Kinderen van een dorp in de buurt probeerden hem te storen, maar hij bleef diep in meditatie. Hij vastte zo grondig dat hij vel-over-been werd, maar zijn lichaam bleef stralen.
[63] Hij baadde in de wateren van de Iryŏn, en wilde de oever opgaan. Een grote boom boog zijn takken naar Hem toe.
Hij wilde naar de Pori boom gaan en had behoefte aan wat voedsel. De dochter van een huisbezitter bood Hem wat pap aan.
noot: Na zes jaren van vergaande inspanning besloot Siddhārtha dat alleen ascese niet het antwoord was. Hij baadde in de Nairañjanā (Iryŏn) Rivier, en een boom hielp hem met zijn verzwakte lichaam uit het water. Vervolgens richtte hij zijn schreden naar de Boom der Verlichting (Sanskrit: bodhidruma).Een meisje uit een naburig dorp bood hem wat rijstepap aan, en hierdoor gesterkt kon hij zijn weg vervolgen.
[64] Hij greep de tak en klom de oever op, en de Tusita-deva kleedde Hem in een kasāya.
Hij at de pap en gooide de kom weg, en de deva Chesŏk plaatste die in een pagode.
noot: Voor de Tusita hemel zie [12]. In [56] wordt verteld dat Siddhārtha kleding krijgt van de deva Chŏnggŏch’ŏn. Het weggooien van een houten of aardewerken kom was een gewoonte van Indiase monniken om hygiënische redenen.
[65] Ze versierden de Diamanten Troon, en plaatsten de Leeuwenzetel. Tachtigduizend Boeddha’s waren aanwezig, en hadden plaats genomen.
De ogen van de blinde draak werden geopend: de draak Kado zag Hem. Hij zou achtereenvolgend vier Boeddha’s dienen.
noot: Onder de legendarische Boom der Verlichting stond de Diamanten Troon. Hier zaten alle vroegere Boeddha’s, de “Leeuwen der Mensheid”. Zij kwamen allen om Siddhārtha te verwelkomen. De draak Kacha (Sasse, 2002:310: “Kālika?”) werd wakker en sloot zich aan.
[66] Ten tijde van Zijn eenzame mars naar de Piballa boom, beefde de aarde onder Zijn enorme verdiensten.
Ten tijde dat Hij het Geluksriet met Zijn eigen handen schikte, bewoog de aarde weer onder Zijn enorme verdiensten.
noot: De Piballa boom is een andere naam voor de Bodhidruma. Aardbevingen hebben een gunstige betekenis in India. Siddhārtha richtte zijn zetel in met riet en grassen.
[67] Aangezien Hij het Juiste Inzicht zou verkrijgen, reikte Zijn uitstraling tot in het Demonen Paleis: “P’asuni zal zich onderwerpen!”
P’asuni had gedroomd en besprak deze dromen met zijn ondergeschikten: “Kudam zal zich onderwerpen!”
noot: Siddhārtha kondigde aan dat hij de demon Māra (zie vers [22]) zou verslaan. Māra had tweeëndertig vreemde dromen en leidde daaruit af dat die zijn overwinning op zijn tegenstander uit de Gautama (Kudam) familie voorspelden (zie [10] en [11]).
[68] Hij stuurde zijn drie dochters om met Hem gesprekjes te voeren en Hem wat Zoete Dauw aan te bieden.
Hij verzamelde een leger van soldaten die honderd vormen aan konden nemen en die de Zuivere Fles aan het wankelen poogden te brengen.
noot: Māra (Mawang) stuurde zijn mooie dochters om Siddhārtha over te halen wat met hen te flirten en nectar (‘Zoete Dauw’) te drinken. Zij slaagden daar niet in en Māra ging over tot openlijke vijandelijkheden. Hij beval zijn demonenleger om Siddhārtha’s komende verlichting tegen te gaan. Siddhārtha droeg een “Fles der zuiverheid’ bij zich (een symbool voor de deva Schone Vaas? zie [43]) en daagde Māra uit die te doen wankelen.
[69] De stralen van Zijn ūrnā beschenen de vrouwen en gingen dwars door de opsmuk die hun onreinheid toedekte.
Hij bleef onbewogen, en de verschrikkelijke wapens van de demonische soldaten konden Hem niet raken.
noot: Hoewel de vrouwen er ongelooflijk mooi uitzagen, keek de asceet met zijn magische witte krul tussen zijn wenkbrauwen (de ūrnā) dwars door hun vermomming. En het demonenleger stond machteloos.
[70] De vrouwen hadden grote wormen in hun maag, kleine wormen in hun beenmerg, kruipende wormen onderaan.
In het midden waren de vrouwen hond, bij de schouders slang en vos, voor en achter kind en grootmoeder.
noot: Een beschrijving hoe de kroonprins de ware, gedegenereerde vormen, binnen en buiten, van Māra’s dochters zag, die ooit mooie meisjes waren geweest maar uiteindelijk oude vrouwen zouden worden.
[71] Mawang was woedend, maar omdat zijn ontelbare soldaten tegen de Waarheid handelden, konden ze de Zuivere Fles niet doen wankelen.
De Geëerde ging, in Zijn barmhartigheid, op in samādhi, en de talloze lemmeten veranderden in lotus bloemen.
noot: De scherpe wapens van Māra’s leger veranderen in bloemen onder de welwillende invloed van Siddārtha’s samādhi meditatie waarin geen plaats is voor haat of angst voor iemand’s vijanden.
[72] De acht divisies van demonische soldaten van de Zesde Hemel luisterden naar P’asuni en poogden zijn ellendige plannen uit te voeren.
Ontelbare goddelijke mannen en vrouwen zagen de Boeddha’s stralen en ontplooiden hun ware hart.
noot: Māra, heerser van de Zesde Hemel, voerde het bevel over zijn ondergeschikten. Maar aan de andere kant verzamelden zich de goede deva’s om de komende Boeddha te ondersteunen.
[73] Māra nam zijn juwelenkroon af en gaf strikte orders: “Neem alle hellewapens en versla Kudam beslist!”
Met Zijn ūrnā duidelijk zichtbaar richtte Hij, en de hel werd water en alle zondaars werden bevrijd en voegden zich weer bij de mensheid.
noot: Māra geeft bevel alle wapens uit de hel te halen, maar Siddhārtha verandert de hel in water en bevrijdt zo al zijn bewoners.
[74] Mawang, die zo goed kon praten, lanceerde een aanval op de Boeddha. Zou hij ooit zijn waanbeelden kwijt raken?
Mawang bezweek aan de wijsheid en macht van de Boeddha. Op de achtste dag van de twede maand bereikte Hij Sambodhi.
noot: Māra had koppig geprobeerd zijn tegenstander te verslaan maar ging geheel ten onder en in de morgen na de strijd verkreeg Siddhārtha het Ware Inzicht.
[75] De eerwaarde Up’agukta ontvouwde de Wonderbaarlijke Wet, maar Mawang verzette zich nog steeds.
Toen kreeg hij spijt dat hij gezondigd had tegen de Geëerde van het Grote Mededogen.
noot: Zelfs later, toen de Boeddha al het Nirvana was ingegaan en Upagupta (Up’agukta) patriarch was, zou Māra nog pogen zich te verzetten tegen de Ware Leer, maar uiteindelijk zou hij wroeging krijgen.
[76] Hij was veranderd in een grote draak die zich om de Geëerde heen wond, en in Zijn medeleven sprak Hij geen woord.
Hij maakte een bloemenslinger en hield die boven het hoofd van de Vereerde. Vervolgens bond hij met wonderbaarlijke kracht de slinger krachtig om zijn nek.
noot: Deze scene is niet duidelijk. Er worden geen namen gegeven. Mogelijk gaat het om de draak Mucilinda die zich om de Boeddha heenwond om hem te beschermen tegen een sterke donderbui. De wonderbaarlijke kracht is van de Boeddha of van Mucilinda.
[77] Hoewel de koe die de kom brak zich weerspannig gedroeg, zag Hij genadig af van een verwijt.
Hoewel de Boeddha die het woud inging zich weerspannig gedroeg, zagen ze vol respect af van de overeenkomst.
noot: Ook deze regels zijn onduidelijk, maar verwijzen naar ons onbekende vroegere gebeurtenissen, of naar een latere episode waarin Ānanda op zoek is naar melk en een boer hem zegt een beruchte onwillige koe te melken.
Het tweede deel verwijst mogelijk naar de Boeddha die eerst het woud binnenging om ascetisme te bedrijven maar dat na zes jaar opgaf en zich naar de Boom der Verlichting begaf. Zijn mede-asceten dachten eerst dat hij de gelofte om samen te blijven had verbroken en veroordeelden hem, maar besloten daarna de overeenkomst te ontbinden.
[78] Hij dacht niet aan verwijten; hij was echter gezegend met de deugd van de Geëerde en verliet, bevrijd van zijn zonden, de hel.
Zij ontbonden de overeenkomst, maar namen de woorden van de Vereerde ter harte en keerden met een buiging terug naar de hemel.
noot: Een onduidelijk vervolg op [77]. De eerste ‘Hij’ is de Boeddha.
[79] In diepe meditatie verspreidde Hij de stralen. Hij verwierf de Drie Inzichten, en vervolmaakte ook de Zes Vermogens.
Toen de ochtendster verrees, verkreeg Hij de Achttien Karakteristieken, en maakte Zich ook de Tien Goddelijke Krachten eigen.
noot: De bodhisattva bereikte nu een steeds dieper niveau van meditatie, en vroeg in de ochtend bereikte hij volkomen verlichting. De Drie Inzichten betreffen vroegere levens, toekomstige levens en de middelen om jezelf te bevrijden van huidige kwellingen.
De Zes Vermogens zijn: 1. Alle 3.000 werelden zien; 2. Alle stemmen van die werelden horen; 3. De gedachten van de mensen lezen; 4. Kennis van alle vorige levens; 5. Zijn waar men maar wil, doen wat men maar wil; 6. Het vermogen alle bezoedeling te verwijderen.
De Achttien Karakteristieken betreffen de achttien specifieke trekken die een Boeddha onderscheiden van bodhisattva’s en andere heilige wezens, trekken zoals een Volkomen Lichaam, een Volkomen Geest, Volkomen Spraak, enz.
De Tien Goddelijke Krachten zijn een categorie binnen de Achttien Karakteristieken. Sommige van deze Krachten zijn gelijk aan die van de Zes Vermogens.
[80] Met Zijn doordringende Kennis zag Hij de gesteldheid van de wereld, en de aarde beefde.
Zijn sprankelende Wijsheid kende geen vrees, en de trommels in de hemel daverden uit zichzelf.
noot: Toen de ochtenster verrees doorzag de Verlichte alle werelden, en hemel en aarde weerklonken in harmonie.
[81] De Acht Groepen omringden Hem, en Chŏnggŏch’ŏn verheugde zich. Wolken met gunstige voortekenen en bloemenregens daalden neer.
Alle deva’s kwamen daar bijeen, onsterfelijken met de Vijf Goddelijke Machten verheugden zich, en onder hemels gezang daalde Zoete Dauw neer.
noot: Voor de Acht Groepen, zie [7], voor Chŏnggŏch’ŏn, de deva van het Zuivere Verblijf, zie [44]. De Vijf Goddelijke Machten zijn: 1) het directe zien van alles overal in de wereld van vormen ( zie [21]); 2) het horen van elk geluid overal; 3) het kennen van de gedachten van eenieder; 4) het kennen van de vorige levens van jezelf en anderen; 5) het vermogen overal te zijn en te handelen naar wens. Vergelijk [79]: de Zes Vermogens. Voor Zoete Dauw zie [68].
[82] Koning T’an eiste bevestiging van Zijn Boeddhaschap, dus de Godin der Aarde Kyŏllo verscheen en gaf getuigenis.
De Godin der Aarde vertelde van Zijn Boeddhaschap, en godheden van de leegte en van de hemel lieten van boven hun stem horen.
noot: Na zijn nederlaag probeert Māra (ook geheten koning T’an, ‘Onderdrukking’) de Boeddha in opspraak te brengen door twijfel over zijn Boeddhaschap te zaaien. Dan verschijnt de alwetende Godin der Aarde en legt getuigenis af van de Boeddha’s karmische verdiensten.
[83] Munsu en Pohyŏn, die in een eerder bestaan diepgaand ascetisme hadden beoefend, kwamen samen als wolken rond een grote maan.
Ten einde de Wonderbaarlijke Wet aan de wereld door te geven, sprak Nosana met het perfecte karma de Hwaŏm-soetra door middel van de Bliksem Doctrine.
noot: Nu verschenen Mañjuśrī (Munsu, de Bodhisattva der Wijsheid) en Samantabhadra (Pohyŏn, de Bodhisattva van het Onderwijs) en gingen links en rechts van de kosmische Boeddha Vairocana (Nosana of Shana, de Verlichter) zitten. Afbeeldingen van dit drietal zijn nog steeds in de meeste Koreaanse tempels te zien. Om zijn leer te verspreiden gaf de kosmische Boeddha les in het diepzinnige Avatamsaka–sutra (Hwaŏm-gyŏng) en zijn mysterieuze weg naar Onmiddelijke Verlichting.
[84] De mensen zouden zonder begrip naar de Grote Leer luisteren, dus Hij dacht eraan het Nirvana in te gaan. Maar alle deva’s smeekten Hem.
Op een geëigende manier zou Hij alles uitleggen, en van alle Drie Voertuigen spreken, dus alle Boeddha’s prezen Hem.
noot: Aangezien het Avatamsaka–soetra te esoterisch was voor het gehoor om te begrijpen, overwoog de Boeddha het onderwijs op te geven, de wereld te verlaten en het Nirvana in te gaan – en zo zijn levenscycli op aarde te beëindigen. Evenwel, Brahmā en andere goden smeekten hem de mensheid te bevrijden van al het lijden voordat hij het Nirvana in zou gaan. En de Boeddha besloot tot drie manieren (‘voertuigen’) van onderwijs, aangepast aan ieders individuele vermogen. Deze manieren zijn die van de Boeddha zelf, die van de Pratyeka-boeddha die slechts zijn eigen verlichting nastreeft, en die van de bodhisattva die verlichting zoekt voor alle levende wezens.
[85] Veertien dagen na de verlichting trok Hij naar de hemel genaamd “Anderen veranderen, het zelf blijft” en sprak het Soetra van Tien Stadia.
Zeven weken na de verlichting trok Hij naar het Woud genaamd Ch’ariniga, en ging in Lotus-houding zitten.
noot: De Boeddha ging naar de Zesde Hemel waar Māra heerste, en onderwees daar. Vervolgens ging hij naar het Ksīrinikā (Ch’ariniga) woud en zat neer met gekruiste benen.
[86] Kooplieden konden hun weg niet vervolgen en baden tot de hemelse goden.
De geest van het bos verscheen op de weg en vertelde hen van de Wereld-Geëerde.
noot: Twee kooplui, Trapusha and Bhallika, trokken door het woud toen hun ossen opeens halt hielden en weigerden verder te gaan. Dit kwam door de geest van het bos die de kooplui wilde vertellen van de Boeddha die nu al zeven weken aan het vasten was.
[87] Ze boden Hem drie soorten voedsel aan, maar daar ze geen kommen hadden, dacht Hij aan de Boeddha’s van vroegere werelden.
Dat Hij kommen-met-zeven-juwelen zou vullen met het aangeboden voedsel was op verzoek van de Vier Hemelse Koningen.
noot: De kooplui boden hem rijstkoeken met melk en honing aan, maar de Boeddha kon dit geschenk niet met zijn blote handen aanvaarden, dus dacht hij eraan hoe vroegere Boeddha’s dit probleem hadden opgelost. Toen verschenen de Vier Hemelse Koningen (zie [54]) die ieder hem een met edelstenen versierde kom aanboden.
[88] Vroeger hadden ze kommen ontvangen, en Piroch’ana’s woorden gehoorzamend hadden ze gewacht op de gebeurtenis van vandaag.
Ze konden de plannen van vandaag niet uitvoeren. Ze vervulden, na de woorden van koning Pisamun, de wens van die vroegere tijd.
noot: Elk van de Vier Hemelse Koningen bood hem een kostbare kom aan, die hij echter niet kon aanvaarden. Toen herinnerde Vaiśravana (Pisamun), een der Koningen, zich: “Ooit ontvingen wij vier stenen kommen, en Boeddha Vairocana (Piroch’ana) zei ons die niet te gebruiken, doch te bewaren om ze in de toekomst aan Boeddha Śākyamuni aan te bieden.” En zo deden zij.
[89] Als de Geëerde met Zijn barmhartig hart slechts één kom zou aannemen, zouden niet tot tevredenheid van alle vier zijn.
Met zijn bovennatuurlijke krachten drukte de Geëerde de vier kommen ineen tot een enkele kom.
noot: Om niemand’s gevoelens pijn te doen accepteerde de Boeddha alle vier de kommen. Vervolgens drukte hij die ineen, aangezien hij maar één nodig had.
[90] Overtuigd van hun oprechte bedoelingen, sprak Hij van de Boeddha, de Leer en de Monnikengemeenschap, en zette Zijn lezing om in een hymne.
Overtuigd van de waarheid van hun woorden, sneed Hij een haar af, en gaf die aan hen, samen met een afgeknipte nagel.
noot: Nu kon de Boeddha de voedselgave van de kooplui Trapusha en Bhallika aannemen, en hij sprak tot hen over de Drie Juwelen, namelijk de Boeddha, de Leer en de Monnikgemeenschap, en over de Vijf Geboden betreffende moord, diefstal, overspel, liegen en dronkenschap. De kooplui waren diep onder de indruk en vroegen om een aandenken om thuis in een pagode te bewaren. Toen sneed de Boeddha een haar af en knipte een vingernagel af en gaf die hun als deel van zijn lichaam.
[91] Oneindige kalpa’s geleden zag Hij de Yŏndŭng Boeddha en verliet met een bodhi-geest het wereldse leven.
Alle deva’s ontvingen ieder een enkele haar, en vereerden die in miljoenen hemelen.
noot: De kooplui waren nogal teleurgesteld met de haar en afgeknipte nagel, waarop de Boedha hen vertelde hoe hij, vele kalpa’s geleden (zie [3]), de Boeddha Dīpamkara (ook geheten Yŏndŭng, zie [5]) had ontmoet en zijn haar had afgesneden om monnik te worden. En nu hijzelf een Boeddha was geworden, vereerden menigten van deva’s diezelfde haren van lang geleden als heilige schatten.
[92] Zelfs voor Hij hebzucht had overwonnen, verkregen zij Nirvana door de verdienste van het vereren van slechts een enkele haar van Hem.
Nu Hij de Sammaksam-Boeddha is geworden, zal hun verdienste eindeloos zijn, wanneer ze slechts een enkele haar en nagel vereren!
noot: Zelfs voordat hij een Boeddha werd, vrij van hebzucht, gingen vele deva’s het Nirvana in door eer te bewijzen aan zijn haar. Dus hoe groot zal hun verdienste niet zijn als ze een enkele haar en nagel van de huidige Samyaksam (“Alwetende”; Sammaksam) Boeddha eer bewijzen!
Met deze uitleg overtuigde de Boeddha de twee kooplui van de onmetelijke waarde van zijn geschenk, en ze gingen heen met deze kleine deeltjes van zijn heilige lichaam bij zich.
Predikingen en bekeringen
[93] Hij was de Goede Hertenkoning die bereid was Zijn leven op te offeren, en Hij onderwees Pŏmmadal.
Hij was de rsi Die Kwelling Verdraagt. Zijn handen en voeten werden afgehakt, maar Hij probeerde Kari te redden.
noot: De Boeddha koos het Hertenkamp van Benares om zijn onderwijs te beginnen. Hij had karmische banden met dit park. Kalpa’s geleden leefde er een koning Brahmadatta (Pŏmmadal) die iedere dag een hert voor zijn diner at. Op een dag zou een drachtige hinde geslacht worden. Zij smeekte de koning te wachten tot haar kalfje geboren was. Daarna zou ze geen bezwaar hebben geslacht te worden. Maar Brahmadatta wilde geen uitzondering maken, dus de hinde ging naar de hertenkoning om hulp te vragen. Dit edele dier ging nu in haar plaats en legde zijn hoofd op het blok. De koning werd diep geroerd en verbood vanaf dat moment het doden van herten. Deze hertenkoning was een vroegere incarnatie van de Boeddha.
Evenzo was er kalpa’s geleden een heilige man Ksānti (‘Die Kwelling Verdraagt’), wiens preken de wrede koning Kali (Kari) onwelgevallig waren. De koning liet Ksānti’s handen en voeten afhakken, maar de rsi stond boven haat en probeerde zijn beul nog tot verlichting te brengen.
[94] Krachtens Zijn banden met vorige existenties draaide Hij het Wiel van de Leer, maar in het Hertenkamp gaf Hij zijn allereerste les.
Omdat Hij in vorige existenties zo gesproken had, ging Hij alle levende wezens redden, maar de allereerste was Kyojinyŏ.
noot: Het Hertenkamp waar de Boeddha zijn eerste lessen gaf was de verblijfplaats van vijf asceten. Een van hen was Kaundinya (Kyojinyŏ; volgens Sasse p.350 niet dezelfde als in vers [61]), met wie de Boeddha een sterke karmische band had. Voor deze vijf asceten zette hij het Wiel van de Leer in beweging.
[95] De Zwarte Draak van Vierduizend Li werd een volgeling en ontving de Drievoudige Toevluchtshaven.
Tachtig menigten van deva’s hoorden de Vier Waarheden, en verkregen Inzicht in de Leer.
noot: De drakenkoning Elapatra strekte zich uit en toonde zijn hoofd aan de Boeddha terwijl zijn staart nog vierduizend li verder weg was. Hij werd in een jongeman veranderd en verkreeg de Drievoudige Toeluchtshaven (zie [96]). En ook talloze deva’s hoorden de Vier Edele Waarheden, de essentie van de Boeddha’s leer, nl. 1) Bestaan is lijden; 2) de oorzaak van dit lijden is begeerte; 3) het lijden kan opgeheven worden; 4) de methode is het Achtvoudige Pad.
[96] Hij ontvouwde het Juweel van de Boeddha, het Juweel van de Leer, en ook ontvouwde Hij het Juweel van de Broederschap.
De geesten der aarde prezen Hem, de deva’s van de cosmos prezen Hem, en de Acht Groepen van Deva’s en Draken prezen Hem eveneens.
noot: Na zijn bezoek aan het Hertenkamp reisde de Boeddha rond terwijl hij de Drievoudige Toevluchtshaven predikte (de Boeddha, de Leer en de Kloosterorde of Broederschap) en overal prees men hem. (De Acht Groepen zijn al genoemd in [7]).
[97] Hij toonde Zichzelf als Shana en droeg met juwelen bezette kleding, maar wie kon de Bliksem Doctrine begrijpen?
Hij toonde Zijn lichaam van zestien voet, en droeg oude kleren, en ze begrepen allemaal de Geleidelijke Doctrine.
noot: Voor de naam Shana en de Bliksem Doctrine, zie de noot bij [83]: Vairocana. Van de historische Boeddha werd gezegd dat hij zestien voet lang was. En zijn Geleidelijke Doctrine was voor de gewone mensen makkelijker te begrijpen (zie ook vers [84]).
[98] Pyŏngsa van Magalt’a vroeg de Geëerde op een keer: “Wilt u de Weg vestigen en mij dan redden?”
Kasŏp Ulbira wilde indruk maken op het volk. Hij bouwde een huis en bracht een draak groot.
noot: Op zijn zoektocht naar verlichting was prins Siddhārtha door het land Magadha (Magalt’a) gereisd,waar koning Bimbisāra (Pyŏngsa) hem had gevraagd terug te komen na het vinden van de Weg. Dus nu hield de Boeddha zich aan de belofte om de koning van alle waandenkbeelden te verlossen.
In Magadha woonden echter ook drie broers Kāsyapa (Kasŏp). De oudste heette Uruvelā (of Uruvilvā; Koreaans: Ulbira). De bewoners van Magadha hadden ontzag voor de broeders omdat ze een vuurspugende draak hadden. De Boeddha zocht hen op.
[99] Ook al is een boom hoog, als je de wortels doorsnijdt kun je al het fruit pakken en opeten.
Ook al gaan ze prat op hun tovenarij, als Hij de draak verslaat, zullen ook de ongelovigen Hem zeker volgen.
noot: De Boeddha gaat naar het huis van de Kāsyapa’s. Hij weet dat de draak hun kracht én hun zwakte is.
[100] Hij begroette Hem hoffelijk, en nodigde Hem uit voor een maaltijd, maar Hij vroeg slechts om een kamer.
Hij bood geen kamer aan en probeerde Hem met streken tegen te houden, maar Hij vroeg toen naar de drakenhal.
noot: Kāsyapa ontving de Boeddha beleefd, maar zei dat hij de gast geen onderdak kon bieden daar de grote hal door zijn draak was bezet. De Boeddha verklaarde toen dat hij zich geen zorgen om de draak maakte.
[101] De draak spuugde vuur en was kwaadaardig, dus probeerde hij Hem ervan te weerhouden de drakenhal binnen te gaan.
Hij had reeds het vuur der hartstochten geblust, dus niemand kon Hem kwaad doen, en Hij ging de drakenhal in.
noot: Kāsyapa probeerde de Boeddha tegen te houden, maar kon niet verhinderen dat die het stenen bouwsel binnenging om er de nacht door te brengen.
[102] Een wolk giftig gas werd uitgeblazen maar veranderde in bloemen, dus de slechte draak werd nog kwader.
Het vuur werd gedoofd en een koude wind waaide, dus de slechte draak hield zijn woede in.
noot: De Boeddha zat in meditatie in de hal en zijn geestelijke macht weerstond ieder aanval van het monster.
[103] Het was in een kom gestopt, maar dat wisten zij niet. Hoe dom waren zij om tranen te plengen!
Hij zag stralen maar begreep de aard hiervan niet. Hoe meelijwekkend was zijn wens te sterven!
noot: De hele nacht leek het gebouw in brand te staan. Vergeefs probeerden Kāsyapa en zijn volgelingen het vuur te doven. Ze wanhoopten dat de jonge monnik in de vlammen was omgekomen. Kāsyapa wenste zelf dood te zijn. De Boeddha had echter de draak in zijn etenskom gevangen, en het was zijn schittering, geen brand, die de vroege ochtend verlichtte.
[104] Hij reisde naar Puruch’e en Yŏmbuje, naar Kuyani en Ultanwŏl, kwam toen terug om Kasŏp bewijs te leveren.
Hij bracht yŏmbyŏk en haryenŭk, amanŭk en wilde rijst, en nodigde Kasŏp uit hiervan te eten.
noot: Nu verschafte Kāsyapa de Boeddha passend onderdak en bood hem iedere morgen ontbijt aan. De Boeddha aanvaardde dit alles, maar reisde in een ogenblik naar de vier continenten, Pūrva-videha (Puruch’e), Jambudvīpa (zie [13]), Apara-godānīya (Kuyani), en Uttara-kuru (Ultanwŏl).
De errste keer kwam hij terug met Jambu-fruit (rozenappel) voor het ontbijt, vervolgens met andere vruchten en ten slotte met wilde rijst. Kāsyapa had zulke eetwaren nog nooit gezien, maar wilde niet toegeven dat hij onder de indruk was.
[105] Toen Hij water zocht en een borsteltwijgje, schiep Chesŏk een meer dat er nooit eerder was.
Toen Hij Zijn kleren wilde wassen, bracht Chesŏk Hem een platte steen die er nooit eerder was.
noot: Toen de Boeddha tijdens zijn verblijf bij Kasyāpa zijn tanden schoon wilde maken met een wilgenborsteltje, zoals de gewoonte was, zorgde de god Chesŏk (zie [56]) voor schoon water. En toen hij zijn kleren wilde wassen bracht de god hem de vereiste steen om mee te wassen.
[106] Toen hun werd verteld van de schittering van de Vier Hemelse Koningen, van Chesŏk en Pŏmch’ŏn, drong de waarheid tot hen door.
Ze verzochten Hem een vuur aan te steken en te doven, en een bijl terug te geven. Alleen toen werden hun wensen vervuld.
noot: Iedere avond maakten Kasyāpa en zijn mede-vuuraanbidders een vuur, en de plaats was zo helder als bij daglicht. De Boeddha werd bezocht door Indra (Chesŏk), Brahmā (Pŏmch’ŏn) en andere godheden, en hun stralen waren als de zon. Daarom dacht Kasyāpa dat de Boeddha ook een vuuraanbidder was. Toen de Boeddha echter uitlegde waar dat licht vandaan kwam, was Kasyāpa erg onder de indruk.
Op een avond konden de vuuraanbidders geen vuur maken en ze vroegen de Boeddha om hulp. Toen hij hen terug had gestuurd zagen ze vol ontzag dat het vuur spontaan was ontstaan. Toen ze het wilden blussen lukte dat niet, en weer vroegen ze de Boeddha om hulp. Toen hij hen weer terug had gestuurd zagen ze dat het vuur uit was.
Toen ze hout wilden hakken voor hun vuur bleef de bijl onbeweeglijk in de lucht hangen. Weer vroegen ze de Boeddha om hulp. Hij haalde hun bijl terug en ze waren vol bewondering voor zijn vermogens.
[107] Hij ging een vijver in, en een grote boom boog zich, zodat Hij een tak kon pakken om eruit te komen.
Hij ging een rivier in en de golven gingen uiteen, zodat Hij daar in het droge stof stond.
noot: Op een dag nam de Boeddha een bad in een vijver maar kon er niet zelf uitkomen. Een boom boog toen om te helpen en door een tak te pakken kwam hij op de oever (zie een vergelijkbare gebeurtenis in [63]). Een andere keer stak hij een rivier over tijdens een regenstorm, en Kasyāpa was bang dat de Boeddha zou verdrinken. Toen hij echter dichterbij kwam zag hij de Boeddha in het midden van de rivier op een droge plek staan.
[108] Toen hij liet merken hoezeer hij bij het banket wilde zijn, was Hij zeven dagen lang niet te zien.
Toen hij liet merken hoezeer hij Hem wilde vereren, verscheen Hij meteen.
noot: In Magadha werd een grote vergadering gehouden. Kasyāpa was bang dat hij naast de Boeddha in het niet zou vallen. Deze las zijn gedachten en bleef weg. Later, toen Kasyāpa zijn gast zocht, verscheen de Boeddha meteen.
[109] Vanaf het begin wist hij in zijn hart dat Hij ontelbare gedaanteveranderingen beheerste, en de eminente Juiste Weg.
Beschaamd over zijn eigen methoden leidde hij duizend brahmanen en boog uiteindelijk het hoofd.
noot: Vanaf het moment dat hij de Boeddha als gast onthaalde besefte Kasyāpa dat de Boeddha over vele magische verschijningsvormen beschikte om zijn eminente boodschap over te brengen, en hij voelde zich minderwaardig. Toen hij besefte dat hij niet kon blijven voorwenden de Boeddha’s gelijke te zijn, gingen hij en zijn volgelingen naar de Boeddha en vroegen hem om hun leraar te zijn.
[110] Hij verdween en verscheen toen in alle vijf richtingen, dus de duizend monniken keken vol eerbied naar Hem op.
Hij verscheen weer en sprak over de Drie Manifestaties, dus de duizend monniken werden nahan.
noot: Om hun laatste twijfels weg te nemen verdween de Boeddha voor hun ogen, en vertoonde zich toen tegelijkertijd in alle richtingen, en legde uit dat deze manifestaties een manier waren om de mensen te inspireren. De voormalige vuuraanbidders werden nu arhat (nahan), de hoogste graad voor volgelingen van de Boeddha.
[111] Pyŏngsa betrad het Bamboe Park, bevrijd nu van hebzucht, dus de Geëerde die dit wist kwam ook.
De Boeddha betrad het Bamboe Park en vertelde Anan dat alle levende wezens vrij van begeerte zouden zijn.
noot: Spoedig na de bekering van Kasyāpa en de vuuraanbidders ging de Boeddha naar de hoofdstad van Magadha waar koning Bimbisāra (Pyŏngsa; zie [98]) hem tegemoet kwam en hem het Bamboebos Park schonk. De Boeddha was overtuigd van de oprechtheid van de koning en vestigde daar zijn eerste religieuze centrum. Daar vertelde hij zijn leerling Ānanda (Anan) hoe de mensen bevrijd konden worden van alle begeerten, de bron van al het lijden.
[112] Masŭng ontmoette Saribul en reciteerde één gāthā, waardoor deze meteen zijn eigen meester vergat.
Mongnyŏn ontmoette Saribul en begreep de gāthā, en samen gingen zij meteen naar hun nieuwe meester.
noot: Terwijl de Boeddha in het Bamboe Park aan het onderwijzen was trok zijn leerling Aśvajit (Masŭng) erop uit en ontmoette Śāriputra, die de Boeddha’s rechterhand zou worden. Śāriputra was onder de indruk van Aśvajit’s verschijning, vooral toen die een hymne reciteerde waarin de Boeddha met de maan werd vergeleken en ieder ander mens met een vuurvliegje. Śāriputra liet zijn leraar meteen in de steek en reciteerde de hymne voor zijn vriend Maudgalyāyana (Mongnyŏn). Samen trokken ze naar de Boeddha en werden diens leerlingen.
[113] Zijn zoon was een Boeddha geworden, en de vader verlangde ernaar Hem te zien, dus hij zond de brahmaan Ut’aya om nieuws te horen.
De zoon was een Boeddha geworden en wilde Zijn vader zien, en met die woorden stuurde Hij de nahan Ut’aya terug.
noot: Twaalf jaar waren verstreken sinds de kroonprins zijn land had verlaten. Koning Śuddhodana stuurde zijn dienaar Udāyin (Ut’aya) om nieuws omtrent zijn zoon te vernemen. De Boeddha verwelkomde Udāyin en vroeg naar zijn familie thuis. Vervolgens vertelde hij hem over de Leer. Udāyin werd bekeerd (voor nahan zie [110]), keerde terug en kondigde het aanstaande bezoek van de Boeddha aan.
[114] Hij las de brief van Zijn vader en sprak tot Ut’aya: “Ik zal mijn eerste gelofte vervullen. Jij zult nu naar huis vliegen.”
Hij ontving het antwoord van zijn zoon en begreep dat die zijn plechtige gelofte zou houden. Met tranen in de ogen sprak hij met Ut’aya.
noot: De Boeddha was zijn gelofte niet vergeten naar huis terug te keren na het vinden van de Weg (zie [53]). Hij stuurde Udāyin terug door de lucht, en de koning hoorde Udāyin’s verslag diep geroerd aan.
[115] Ut’aya vertelde hoe Hij in vroegere kalpa’s had geoefend en wat voor dingen Hij nu had verricht.
De vader vertelde hoe hij twaalf jaar naar Hem had uitgekeken, en hoe hij nu eindelijk van Hem hoorde.
noot: Terwijl de koning en hoveling zo met elkaar spraken was de Boeddha al op weg naar zijn geboorteland.
[116] Hij sprak over Zijn kinderjaren, en Ut’aya en de Zoon luisterden beide.
Hij besefte de huidige situatie niet, dus vertelde Ut’aya hem hiervan en ook de Zoon sprak.
noot: Vader en zoon ontmoetten elkaar buiten de stad, en de koning sprak over de tijd dat de Boeddha nog een jonge prins was. Udāyin legde toen voor de koning de ontwikkeling van de kroonprins uit, die nu een Boeddha was.
[117] Hij had het huis laten versieren, verfraaid met de zeven juwelen, en hij had geborduurde zijden dekens uitgespreid, om op te zitten.
Hij had onder de boom gezeten, en alle deva’s waren tot Hem gekomen. Zij en draken hadden Hem een juwelenbank aangeboden en een kāsāya.
noot: De ‘hij’ in de eerste zin is de koning die had geprobeerd zijn zoon in het paleis te houden (zie [33]). De volgende zinnen wijzen op de geestelijke roem van de zoon, in contrast met de wereldlijke luister waar de vader over sprak. Voor de kāsāya, zie [56)].
[118] Hij had genoten van verfijnde, heerlijke gerechten, en geslapen tot hij met gezang werd gewekt.
Hij bedelt om voedsel om alle levende wezens te redden, en Chesŏk en Pŏmch’ŏn verschijnen in Zijn samādhi meditatie.
noot: De vader, zoon en Udāyin halen herinneringen op aan de vroegere levensstijl van de prins, en vergelijken die met zijn huidige staat. De Boeddha bedelt voor voedsel om de mensen een kans te geven verdienste te vergaren door hem en zijn medemonniken voedsel te geven. Voor de Boeddha’s samādhi, zie ook [71], en voor Chesŏk en Pŏmch’ŏn zie [106].
[119] Een olifant had Hem in een juwelen voertuig rondgedragen. Hoe pijnlijk moest het zijn op blote voeten rond te lopen!
Voor het voertuig gedragen door de Vijf Machten bestaan geen obstakels, maar het olifantenvoertuig kan niet gaan waar de weg te oneffen is.
noot: De koning noemt het kostbare voertuig waarin zijn zoon ooit rondreed, maar zijn zoon geeft een passend antwoord. De Vijf Machten worden genoemd in [81].
[120] Zijn kleren waren versierd geweest, opgesmukt met de zeven edelstenen, en Hij had er prachtig uitgezien in Zijn schitterende kledij.
Hij had Zijn hoofd geschoren en droeg een gewatteerde habijt. Hoe kon Hij zich niet vernederd voelen?
noot: De koning roept in herinnering hoe schitterend zijn zoon er als prins had uitgezien, en begrijpt maar niet dat hij zich niet schaamt over zijn huidige uiterlijk.
[121] “Dat ik Mij hulde in kledij vol versiering, zonder enige aandacht voor de Geest, daar was ik beschaamd over.
Zelfs als iemand met de zeven juwelen is opgesierd, moet hij dan vereerd worden? Het kleed van de Leer is het kleed van de Waarheid.”
noot: De Boeddha probeert zijn vader ervan te overtuigen hoe zinloos al die versieringen zijn, en hoe waarlijk beschermend de monnik’s habijt is.
[122] Hij had die lekkernijen gegeten, opgediend in gouden en zilveren kommen. Maar hoe eet Hij nu de rijst, die Hij met bedelen heeft gekregen?
“Nu ik de smaak van de Leer heb geproefd, zijn de lekkernijen vergeten. Ik bedel om de rijst die ik eet om zo alle levende wezens te redden.”
noot: Zie noot [118] voor de uitleg waarom de Boeddha, en alle heiligen, om voedsel bedelen.
[123] “In de Drie Seizoenspaleizen bedienden hofdames jou. Hoe bezorgd moet je wel niet geweest zijn diep in de wildernis!”
“Ik heb afstand genomen van leven en dood, en heb geen zorgen meer, dus hoe zou ik nog bang zijn?”
noot: De koning roept in herinnering hoe hij drie paleizen voor zijn zoon had laten bouwen, een voor elk seizoen, met mooie meisjes voor de bediening. Hij weet zeker dat zijn zoon een zware tijd moet hebben gehad in de wildernis. De zoon probeert dit beeld van zijn vader recht te zetten.
[124] “Je baadde in geurig water, maar is er nu, in de wildernis, ergens schoon water om het stof af te wassen?”
“De Juiste Weg veranderde in een vijver, en ik baad in zijn wateren. De Drie Kwaden zijn verdwenen, en mijn vreugde kent geen grenzen.”
noot: De zuiverende kracht van de Leer overtreft geparfumeerd water dat alleen het fysieke lichaam reinigt. De Drie Kwaden zijn: 1) hebzucht; 2) boosheid; en 3) dwaasheid.
[125] Hij hield van zijn zoon, maar kon de Ware Leer niet begrijpen, dus sprak hij erover alsof het werelds stof was.
Hij had een menselijke vorm aangenomen om de Drie Werelden te redden, maar wat voor waarde kon Hij geven aan werelds stof?
noot: Zijn koninklijke vader dacht alleen nog maar aan wereldse zaken, maar de Boeddha leefde dit bestaan alleen maar om zijn bevrijdende boodschap aan de Drie Werelden (zie [21]) over te brengen.
[126] Chodal had een slechte inborst, dus Hij vertoonde zich aan hem, lopend door de lucht, met de bedoeling ook hem te redden.
Hij zag de Boeddha daar lopen en verlangde in zijn ingeboren afgunst: “Ik wil ook zulke tovenarij verrichten.”
noot: Na het gesprek met zijn vader bezocht de Boeddha zijn geboortestad Kapilavastu. Hij ontmoette zijn neef Chodal (zie [39]) aan wie hij zijn geestelijke kracht wilde overbrengen. Maar Chodal wilde alleen maar de magische krachten hebben om de Boeddha te overtreffen.
[127] Deva’s en draken dienden Hem, en bloemengeur daalde neer. Woorden schieten te kort om Zijn pracht van die dag te beschrijven!
Fruit rijpte aan een dorre boom, een bron welde op in een droge rivierbedding. Woorden schieten te kort om de gunstige tekenen van die dag te beschrijven!
noot: De Boeddha wilde zichzelf niet slechts vertonen als de zoon van de koning, dus kwamen hemelse wezens hem dienen, en vele wonderen gebeurden in de natuur rondom hem en zijn vader.
[128] Hij was verrukt zijn zoon te zien, en voelde mildheid en liefde, maar zijn gevoelens van respect waren niet compleet.
Om zijn vader te bevrijden volbracht Hij transformaties, en zo werd de koning bewust van het Verheven Beginsel.
noot: Toen hij zijn zoon na zo lange afwezigheid eindelijk weerzag, besefte de koning niet dat hij de Boeddha ontmoette, maar hij werd hiervan doordrongen door getuige te zijn van de Boeddha’s vertoon van zijn bovennatuurlijke krachten.
[129] Ze luisterden naar de woorden van de Boeddha en op bevel van Zijn vader kregen ook de vrouwen het Inzicht in de Wet.
Hij zag het gedrag van de brahmanen, en op bevel van Zijn vader werden ook leden van de koninklijke clan monnik.
noot: Nu de koning de wijsheid van zijn zoon begreep, gaf hij bevel dat zowel vrouwen als mannen deze weg der bevrijding moesten nastreven. De ‘Hij’ is waarschijnlijk de Boedha. De koning was niet blij dat er geen verwanten waren onder de volgelingen van zijn zoon, dus gaf hij brahmanen en leden van zijn eigen clan bevel de Boeddha te volgen.
[130] Chodal verloor zijn monnikskap en beging vijf dodelijke zonden, dus hij eindigde ten slotte in de Abi Hel.
Hwari’s olifant kon geen stap verder zetten. Hij bespotte Saribul, dus hij eindigde ten slotte in de Lotus Hel.
noot: Devadatta (Chodal) wilde zijn neef de Boeddha alleen maar volgen om dezelfde krachten te verwerven. Toen hij zijn kap verloor zag een waarzegger zijn gelaat en voorspelde dat hij naar de Avīci (Abi) Hel zou gaan, de diepste van de acht hellen. Voor hij daar terecht kwam, probeerde Devadatta zelfs zijn neef te doden!
Chodal’s vriend Kokālika (Hwari), die even slecht was, maakte zijn olifant dronken met wijn en ging toen de Boeddha en volgelingen aanvallen. Halverwege kwam hij Śāriputra (zie [112]) tegen die kalm bleef onder Kokālika’s schandalige gedrag en zijn olifant machteloos maakte. In de Lotus Hel (of Hellen) lijdt men onder ijskoude stormwinden.
[131] Mongnyŏn zocht Chodal op om hem te troosten, maar deze zei dat hij geen ongemakken leed in de hel.
De Geëerde vroeg hoe het met Chodal ging en deze zei dat hij genoot alsof hij in de derde Dhyāna-hemel was.
noot: Na de vijf vergrijpen gepleegd te hebben kwam Devadatta in een hel terecht. In zijn mededogen zond de Boeddha Maudgalyāyana (Mongnyŏn, zie [112]) en later Śāriputra naar zijn neef. Ze kwamen terug en brachten Devadatta’s cynische opmerkingen over.
[132] Toen stuurde Hij Anan met de vraag: “Wil je vrij komen?”, en het antwoord was: “Als Hij hier komt ga ik eruit.”
Anan vroeg: “Hoe kan Hij nu hier komen?”, en het antwoord was: “Als Hij niet komt blijf ik hier.”
noot: De Boeddha stuurde ook Ānanda (Anan; zie [111]) naar Devadatta in de hel. Ānanda kon de Boeddha alleen maar melden dat Devadatta om zijn komst vroeg. Het vervolg wordt niet verteld.
[133] Een hart dat aan anderen denkt vindt het ware geluk. Ik zal u vertellen van de goede daad van de Kip’a vogel.
Een hart dat anderen wil vergiftigen vindt geen geluk. Ik zal u vertellen van de slechte daad van de Kip’a vogel.
noot: Hier volgt een uitleg van Devadatta’s vijandschap voor de Boeddha. Al in een ver verleden was deze vijandschap duidelijk toen zij samen leefden in het ene lichaam van de twee-hoofdige Jīva (Kip’a) vogel.
[134] Hoewel ze het zelfde lichaam deelden waren de hoofden verschillend. En hun karakters waren dan ook verschillend.
Maar ook met twee verschillende hoofden was hun lichaam één, en het was dus hetzelfde voor hen om genoeg te hebben.
noot: De vogel had twee hoofden, en elk hoofd had zijn eigen gedachten. Maar als ze gegeten hadden waren beide hoofden voldaan met hetzelfde goede maal.
[135] Het ene hoofd sliep, het andere was wakker, en at een heerlijke bloem, hetgeen ook de ander ten goede kwam.
Toen beide hoofden wakker waren, zei de ene tegen de ander dat hij kon gaan slapen, en at vervolgens een giftige bloem die hen beide doodde.
noot: Toen het ene hoofd sliep at de ander een heerlijke bloem van een boom in bloei, overtuigd dat de ander er ook van zou genieten in hun gemeenschappelijke maag. Toen de ander wakker werd en de opgegeten lekkernij gewaar werd, werd hij heel kwaad dat hij niet gewaarschuwd was. Dus nam hij wraak toen de ander sliep door een giftige bloem te eten en hen samen te doden.
[136] Het hoofd dat de goede bloem had gegeten was Karuda, en zijn ziel werd de huidige Geëerde Zelf.
Het hoofd dat de slechte bloem had gegeten was Up’agaruda, en zijn ziel werd de huidige Devadatta.
noot: Dus Devadatta’s kwaadaardige neigingen bestonden al in een vorig bestaan toen hij nog veel dichter bij de toekomstige Boeddha verkeerde. De namen van de twee vogelhoofden waren Garuda (Karuda) en Upagaruda (Up’agaruda).
[137] Ze zagen hem zitten op een lotusblad, voor alle leden van de clan, dus de burgers koesterden geen wantrouwen meer.
Hij herkende zijn vader temidden van de vele boeddha’s en zo kwam een eind aan alle wantrouwen dat er nog was.
noot: Deze regels verwijzen naar Rāhula, de zoon van de Boeddha, van wie de wettigheid werd betwijfeld (zie [59] en [60]). Toen zijn vader naar Kapilavastu terugkeerde herkende de jongen hem meteen temidden van alle anderen. Nu zat hij op zijn vader’s schoot op de lotustroon. Later, toen de Boeddha een vergadering van Verlichte Wezens bijwoonde, ging Rāhula recht op hem af. Voortaan twijfelde niemand meer aan zijn afkomst.
[138] Hij zond Mongnyŏn naar Yasu met de boodschap: “Stuur Naun onverwijld naar mij toe.”
Yasu hoorde dat Mongnyŏn onderweg was, dus ze hield Naun verstopt.
noot: De Boeddha besloot dat zijn zoon monnik moest worden en stuurde Maudgalyāyana (zie [131]) naar Yasu, Rāhula (Naun)’s moeder. Maar Yasu wist dat ze na haar echtgenoot nu ook haar zoon kon verliezen, dus ze verborg de negen jaar oude jongen op de bovenste verdieping van een gebouw.
[139] Mongnyŏn vertoonde voor haar ogen zijn wonderbaarlijke vermogens, en benadrukte de belofte van Eeuwige Vreugde.
Maar er was in haar hart geen ruimte om aan de toekomst te denken, en zij benadrukte de tragedie van heel haar leven.
noot: Omdat de poort dicht was vloog Maudgalyāyana naar de bovenste verdieping en ging voor Yasu staan die deed alsof ze niet wist waar hij voor kwam. Hij vertelde haar dat het tijd werd voor Rāhula om de Beginselen te bestuderen, zodat hij niet alleen zichzelf maar ook zijn moeder in de toekomst zou redden. Ze antwoordde hoe ze haar man trouw had gediend tot hij zijn huis en familie had verlaten, en dat hij sinds zijn terugkomst geen enkel vriendelijk gebaar naar haar had gemaakt.
[140] : “Ik werd Zijn vrouw, en diende Hem als een god, maar nog geen drie jaar later gaf Hij de wereld op.
Hij stuurde Ch’aigi terug om Zijn plechtige eed over te brengen: Hij wilde de Weg bereiken, en zou dan pas terugkeren.”
noot: Yasu’s woorden. Voor Ch’aigi, zie [52].
[141] “Hij ging gekleed in hertenvellen en leidde een ascetisch leven in de bergen, en kwam terug na zes jaar afwezigheid.
Maar Hij heeft me geen vriendelijkheid, geen intimiteit betoond. Hij gedraagt zich als een vreemde.”
noot: Als [140]
[142] “Ik verliet mijn ouders en volgde deze man. Maar nu zijn moeder en zoon helemaal in de war.
Hoe kan ik van het leven genieten? Ik kan alleen maar op de dood wachten. Het leven is kostbaar – Ik kan me niet van het leven beroven.”
noot: Als [140]
[143] “Is er iemand die evenveel smart en spijt voelt als ik? Ik ben wel een mens, maar lijk minder dan een dier.
Zo leef ik nu, en moet nu ook nog mijn zoon verliezen? Ik werd een echtgenote, en zie nu mijn ellende!”
noot: Als [140]
[144] “Van alle beproevingen in het leven is scheiding wel het ergst. En wat is erger dan de scheiding van een moeder van haar zoon?
Hij heeft de Weg bereikt en verspreidt Zijn mededogen. Maar wat voor mededogen is er in dit bevel?”
noot: Maudgalyāyana kon Yasu niet overtuigen om Rāhula te laten gaan en ging naar de koning om hulp te vragen. Deze sprak tot de Boeddha’s stiefmoeder, Mahāprajāpatī (zie [31]), dat ze Yasu moest uitleggen dat ze de wereldse banden op moest geven.
[145] De boodschap van koning Chŏngban werd door Tae’aedo overgebracht, maar Yasu wilde er niet van weten en bleef bij haar zoon.
De woorden van de Geëerde werden door een incarnatie overgebracht, en toen begreep ze en scheidde smartelijk van haar zoon.
noot: Mahāprajāpatī (Tae’aedo) bracht de orders van de koning over maar Yasu protesteerde: “De kroonprins is al vertrokken, en als Rāhula ook een monnik wordt, is er geen opvolger voor de troon meer!” Mahāprajāpatī wist hierop geen antwoord.
Toen besloot de Boeddha tot het scheppen van een bovennatuurlijk wezen dat vanuit de hemel tot Yasu sprak: “Herinner jij je belofte niet ten tijde van Boeddha Dīpamkara, toen je mijn vrouw wilde worden? Je beloofde toen mij altijd te gehoorzamen. Dus nu moet je mijn zoon Rāhula laten gaan!” (zie verzen [5] en [6]). Yasu herinnerde zich haar belofte en besefte dat ze teveel vast hield aan wereldse banden en ze liet Rāhula naar zijn vader gaan.
[146] “Ik zal Yasu weer gelukkig maken.” Vijftig kinderen begonnen het monnikenleven. Dat was voorwaar een teken van liefde van de koninklijke vader.
Naun verzette zich tegen Hem, en opnieuw legde Hij de Leer uit. Dat was voorwaar een daad van medeleven van de Geëerde.
noot: Koning Śuddhodana poogde zijn schoondochter te troosten door vijftig jongens met Rāhula mee het klooster in te sturen. De zoon van de Boeddha was een luxe leven gewend en het vooruitzicht van een ascetisch leven trok hem niet aan. Dus moest zijn vader meerdere keren de vergankelijkheid van het leven uitleggen tot de jongen het begreep.
Vestiging van een klooster, en tegenwerking
[147] Bewust van de goede bedoelingen van Kasŏp, sprak Hij tot hem vanuit de hemel, en meteen sloeg hij de weg in naar het Bamboe Park.
Bewust van de komst van Kasŏp, ging de Boeddha hem tegemoet, en nog diezelfde dag bereikte hij het arhat niveau.
Noot: In het land Mathurā leefde de brahmaan Kāśyapa (geen verwant van de vuuraanbidder van canto [98]) die Verlichting al dicht genaderd was. Toen hij van de Boeddha hoorde, ging hij meteen naar het Bamboe Park om hem te zien. De twee wijzen begroetten elkaar met wederzijds respect. Die dag werd Kāśyapa dankzij zijn karma een arhat, een heilige. Hij was voorbestemd het werk van de Boeddha voort te zetten en diens Leer te verspreiden nadat de Boeddha het Nirvana was ingegaan.
[148] Sudal van het land Sawi stuurde een brahmaan erop uit om een vrouw voor zijn alleenstaande zoon te vinden.
Homi van Wangsasŏng hoorde van de brahmaan, en liet zijn dochter, die geschikt was, hem voedsel aanbieden.
noot. In het koninkrijk Śrāvastī (Sawi) leefde de edele Sudatta (Sudal), een rijk en vrijgevig mens. Hij vroeg een brahmaan die om aalmoezen rondging, om een geschikte bruid voor zijn jongste zoon te vinden. De bedelmonnik kwam in Rājagriha (Wangsasŏng),de hoofdstad van Magadha (zie [98]) en klopte op de deur van de rijke Homi (we kennen alleen de Sino-Koreaanse naam). Naar gewoonte kwam Homi’s jongste dochter aan de deur en bood hem voedsel aan. Toen hij dit meisje zag, vroeg de brahmaan haar vader te spreken.
[149] Toen hij het verhaal van de brahmaan hoorde, verheugde Homi zich, en besloot zijn dochter uit te huwen aan Sudal’s zoon.
Toen hij het verslag van de brahmaan gelezen had, verheugde Sudal zich, en ging zijn zoon uithuwelijken aan Homi’s dochter.
noot: Toen de brahmaan Homi vertelde waarom hij kwam en hoe bekend Sudatta was, stemde Homi meteen in met het voorstel. Sudatta ontving bericht en kreeg toestemming van de koning om naar Wangsasŏng te gaan. Hij pakte vele kostbare geschenken in en hielp alle arme mensen die hij onderweg tegen kwam. Homi heette hem welkom.
[150] Hij vernam dat een banket werd voorbereid en vroeg naar de reden, dus vertelde Homi hem van de deugden van de Boeddha.
Hij zag de gewijde plaats maar zijn zicht schoot tekort. Toen vertelde een vriend hem van zijn eerbied voor de Boeddha.
noot: Sudatta, Homi’s gast, hoorde hoe een bijzondere maaltijd werd voorbereid, en vroeg of er een prins werd verwacht. “Neen”, zei Homi, “ik heb de Boeddha met gevolg uitgenodigd.” En Sudatta kreeg het hele verhaal over de Geëerde te horen. Hij was hier zo van onder de indruk dat hij die nacht naar buiten ging om de Boeddha te zien. Bij de offerplaats werd hij plotseling bang in de duisternis. Hij wilde teruggaan maar de geest van een overleden vriend hield hem tegen met de woorden: “Ga verder, Sudatta, een stap naar de Boeddha is meer waard dan al je schatten.” Daarop herstelde zijn zicht dat even verslechterd was en vervolgde zijn weg.
[151] In zijn onwetendheid volbracht Sudal niet eens een hele cirkel, dus de Chŏnggŏch’ŏn leerde hem het juiste gedrag.
De Chŏnggŏch’ŏn kende de etikette en liep dus drie maal een cirkel om de Boeddha heen. Toen hij dit zag, begreep Sudal wat hij moest doen.
noot: De Boeddha wist van Sudatta’s komst en ging hem tegemoet, maar de rijke edelman wist niet hoe hij de Boeddha moest begroeten. Hij zei alleen maar: “Hoe gaat het met u, Gautama?” De Deva van het Zuivere Verblijf (zie [9] en [56]) kon zulke vertrouwelijkheid niet verdragen en veranderde zichzelf in vier personen. Deze volbrachten toen de juiste begroeting. Sudatta volgde meteen hun voorbeeld, maakte drie rondgangen om de Boeddha en ging toen weer zitten.
[152] Hij zag hoe oprecht hij was, en sprak van de Vier Waarheden. Hierdoor bereikte Sudal meteen het Sut’awŏn stadium.
Devoot vroeg hij toestemming om een klooster op te richten, en onmiddelijk stuurde Hij Saribul om hem te begeleiden.
noot: De eerste ‘Hij’ is de Boeddha. Sudatta had aandachtig naar de Boeddha geluisterd en dankzij zijn snelle inzicht bereikte hij het stadium van Srotāpanna (Sut’awŏn), dat is het eerste stadium van wijsheid. Hij vroeg de Boeddha de mensen van zijn thuisland, Śrāvastī, te onderwijzen en bood aan daar een klooster te bouwen. De Boeddha stemde in en Sudatta ging terug naar Homi om het huwelijk van hun kinderen te regelen. Voor zijn vertrek vroeg hij de Boeddha naar de bouw van het klooster, en deze besloot dat Śāriputra het geschikst was om de brahmanen van Śrāvastī, die zich zouden kunnen verzetten tegen de bouw van zo’n klooster, tegemoet te treden.
[153] Hij ondervroeg Saribul, en bouwde toen drie paviljoens langs de weg, elk twintig li van elkaar.
Hij richtte een verzoek tot Kit’a, en was vervolgens van plan een oppervlak van tachtig kyŏng in het park met goud te plaveien.
noot: Sudatta vroeg Śāriputra hoeveel li de Boeddha op een dag liep. Śāriputra zei hem dat dat twintig li was (zie de noot bij [2]). Dus bouwde Sudatta drie paviljoens langs de weg van Rājagriha naar Śrāvastī om de Boeddha onderdak te bieden. In Śrāvastī zochten ze een geschikte plek om er een klooster te bouwen. Śāriputra raadde het park aan, dat niet te ver en niet te dichtbij de stad was. Dit park was eigendom van prins Jeta (Kit’a), die tot Sudatta sprak: “Je mag het hebben als je het hele oppervlak met goud bedekt”, want hij wilde het niet verkopen. Dus toen Sudatta hiermee akkoord ging, protesteerde de prins dat zijn voorwaarde slechts een grap was. (1 kyŏng = ca 6 hectare)
[154] Kit’a kreeg een proces. Het Zuivere Verblijf sprak tot hem, en toen stemde hij in met de verkoop van het park.
Kit’a kreeg de som, maar hij zag Sudal’s goede bedoelingen en vroeg geen geld voor de grote bomen.
noot: Sudatta sprak: “Een prins kan zich zulke grapjes niet veroorloven. U zei dat ik het kon kopen.” En hij wilde een rechter inschakelen. De Deva van het Zuivere Verblijf besloot zelf recht te spreken en veranderde zich in een functionaris en beval prins Jeta het goud te aanvaarden voor het land. Sudatta begon het gebied met goud te bedekken. Tenslotte bleef alleen een hoek onbedekt en Sudatta zat neer in gedachten. Jeta vroeg hem: “Heb je spijt van de aankoop?” maar Sudatta antwoordde: “Ik wou dat ik nog wat goud had om die laatste hoek te bedekken.” Toen begreep Jeta hoezeer het Sudatta ernst was en hoe bijzonder deze Boeddha moest zijn. Dus zei hij: “Het gebied is van jou, maar de bomen zijn van mij. Laten we die tesamen aan de Boeddha aanbieden.”
[155] Zes meesters spraken tot de koning en belasterden Saribul. Ze wilden de constructie van het nieuwe gebouw tegenhouden.
Sudal kreeg bericht van de koning en verloor alle vertrouwen in Saribul. Hij trok lompen aan en was diep bezorgd.
noot: Zes religieuze leiders in Śrāvastī bezochten hun koning Prasenajit. Ze wilden dat hij ‘de groep van deze asceet Gautama’ zou tegenhouden. “We dagen ze uit. Als ze de westrijd verliezen moeten ze hun plan opgeven. Als ze winnen mogen ze doorgaan.” Toen Sudatta dit hoorde dacht hij dat Śāriputra geen kans maakte zo’n wedstrijd te winnen. Hij kleedde zich in lompen en toen Śāriputra naar het waarom vroeg, biechtte hij zijn grote zorgen op.
[156] Van alle ongelovigen in de wereld kan geen hem schaden! Toen Sudal dit hoorde nam hij een bad, kleedde zich en ging naar buiten.
“De monnik die mijn gast is zal met de zes meesters wedijveren,” vertelde hij de koning, dus men sloeg op de trom om het volk te verzamelen.
noot: Śāriputra overtuigde Sudatta dat hij goed in staat was welk aantal ongelovigen ook te verslaan, dus toog Sudatta naar de koning om de uitdaging aan te nemen. Over zeven dagen zou de wedstrijd beginnen. Een gouden trom riep het volk van Śrāvastī bijeen.
[157] Saribul zat in zijn eentje onder een grote boom, diep in meditatie, en in vrede.
In grote getale verzamelden de ongelovigen zich voor de koning. Ze hielden listige en loslippige praatjes.
noot: De burgers bouwden hoge zetels voor de koning en de zes meesters. Sudatta bouwde een voor Śāriputra. Ondertussen zat Śāriputra daar te mediteren: “Deze mensen zijn hun leven lang misleid door verkeerde beginselen. Ik zal ze door middel van drie krachtige deugden overwinnen.” “Gautama’s leerling is bang te komen,” zeiden de meesters tot de koning, die daarop aan Sudatta vroeg waar zijn meester was. Deze ging snel Śāriputra halen. Deze stond op, nam zijn zitmat op de schouder en liep kalm naar het strijdperk. In weerwil van zichzelf stonden de meesters en het publiek op en toonden hem hun eerbied.
[158] Nodoch’a’s bedoeling was oppervlakkig: hij schiep een boom in volle bloei; zijn bloesems en bladeren overschaduwden de hele menigte.
Saribul had goddelijke macht: plotseling stak een wervelwind op die de boom ontwortelde zodat die languit ter aarde stortte.
noot: Śāriputra’s tegenstander was de begaafde tovenaar Nodoch’a (Indiase naam Raudraksha? Raktaksa? Het verhaal staat ook in een Chinees werk van het jaar ca. 500, de Sŏkkabo, vol.3, p.11 ff.). Met magie schiep hij een prachtige boom die echter door een wervelwind (een draak?) van Śāriputra werd verwoest, waarbij alle takken braken. Het publiek riep Śāriputra uit tot winnaar.
[159] Hij schiep een vijver, de oevers schitterend van de zeven edelstenen, het water geurend van allerlei soorten bloemen.
Er verscheen een olifant met zes slagtanden; op elke tand zat een lieflijk meisje tussen de bloemen. Hij dronk de vijver leeg en die was er niet meer.
noot: Nodoch’a schiep een prachtige vijver, maar Śāriputra toverde een witte olifant tevoorschijn die al het water opdronk, en hij werd weer tot overwinnaar uitgeroepen.
[160] Hij schiep een berg van de zeven juwelen met wateren en bomen die vol bloesems en vruchten stonden.
De Vajra koningen verschenen met hun diamanten bliksems. Vanaf een afstand mikten zij en de berg verbrokkelde.
noot: Vervolgens schiep Nodoch’a een majestueuze berg maar Śāriputra riep de hulp in van deva’s, gewapend met diamanten bliksems (vajra), die alle illusies teniet doen, ook deze enorme berg.
[161] Hij schiep een draak met tien koppen, terwijl een stortbui van juwelen, plotseling onweer en bliksem het volk beangsten.
Maar een vogel met gouden vleugels wiekte nabij, pakte de draak, scheurde hem aan stukken en verslond hem.
noot: Toen verscheen Nodoch’a’s schepping van een monsterdraak in een wonderlijke regenstorm die iedereen angstig maakte. Maar Śāriputra riep de Garuda (een ander wezen dat we in [136] zagen), waarvan bekend is dat die zich voedt met slangen en draken, en zo werd Nodoch’a weer verslagen.
[162] Hij schiep een grote stier, fors van lichaam, met sterke poten, en twee horens, scherp als dolken.
Hij brulde, schraapte de aarde en ging tot de aanval over. Maar een leeuw verscheen, greep de strier, en verslond hem.
noot: Opnieuw overtroffen Śāriputra’s krachten die van Nodoch’a.
[163] Nodoch’a’s duistere krachten namen geleidelijk af. Hij nam de gedaante van een kobold aan.
Saribul’s goddelijke krachten namen geleidelijk toe. Hij nam de gedaante van Pisamun aan.
noot: Ten einde raad veranderde Nodoch’a zich in een yaksha, met vonkende ogen, en viel Śāriputra aan. Maar deze nam de gestalte aan van de goddelijke wachter Vaiśravana (Pisamun; zie [88]).
[164] Kokend van woede met lange scherpe nagels en tanden en bloeddoorlopen ogen zag hij er verschrikkelijk uit.
Maar vuren laaiden op aan alle kanten en hij kon niet ontsnappen, dus hij wierp zich neer en smeekte: “Spaar alstubieft mijn leven!”
noot: De verschrikkelijke yaksha werd door vuur omsingeld. Alleen vlak voor Śāriputra waren geen vlammen, dus hij wierp zich in complete overgave daar neer. Het vuur doofde en Śāriputra werd unaniem tot winnaar uitgeroepen.
[165] Men zag hem hoog in de lucht lopen, staan, zitten en liggen, en talloze verschijningsvormen vertonen.
Sut’awŏn, Sat’aham, Anaham en Arahan, talloze mensen verkregen deze stadia op die dag.
noot: Śāriputra steeg hoog op in de lucht en liep daar, stond, zat en lag. Hij verdween van een plek en verscheen in de tegenovergestelde richting, nam een reuzengestalte aan, dan een heel kleine, werd meerdere personen en dan weer één. Tenslotte zat hij neer en verklaarde de Wet voor het publiek van wie sommigen het Srotāpanna niveau bereikten (zie [152]). Anderen verhieven zich tot zelfs hogere stadia als Arahan (of Nahan, zie [110]).
[166] Met onuitputtelijke goddelijke krachten versloeg hij de magische kunsten. Bovendien werden talloze mensen bevrijd!
Met zijn verwarde magische kunsten gaf hij zich over aan de goddelijke macht. Bovendien meldden zich talloze novicen.
noot: Zo gebeurde het dat alle aanhangers van de zes verslagen meesters hun trouw naar Śāriputra overbrachten, en dus naar de Boeddha.
[167] Als een bidsprinkhaan zich tegen een wagenwiel teweer stelt, lacht de hele wereld er om.
Toen deze magiër Nodoch’a de strijd aanging met Saribul, lachtte ik inwendig nog veel krachtiger.
noot : Dit commentaar staat niet in de oorspronkelijke Koreaanse tekst maar is toegevoegd door koning Sejong die dit Lied van Maanweerspiegeling schreef. De vergelijking van de bidsprinkhaan en het wiel komt van de Chinese filosoof Zhuangzi (4e eeuw voor de jaartelling).
[168] Met de maatlinten in de hand stelden ze de plaats voor het klooster vast. En in de zesde hemel werd een gebouw opgericht.
Hij glimlachte en vertelde van de verdiensten van het klooster. En in de middelste hemel werd zijn huis gebouwd.
noot: Terwijl ze de indeling van het klooster opmaten vroeg Sudatta aan Śāriputra waarom die zo geamuseerd was. Śāriputra gaf de uitleg: “Je bent nu dit klooster aan het bouwen, en jouw huis in de hemel is al klaar!” En hij toonde Sudatta de hemelse verblijfplaatsen. En legde ook uit dat de toekomstige Boeddha in de vierde hemel geboren zou worden. Sudatta verklaarde dat hij zijn huis dan graag ook daar had, en zijn wens werd vervuld.
[169] Eenennegentig kalpa’s lang toonde deze huisbezitter grote toewijding, dus zouden zijn deugden ooit minder worden?
Voor zeven Boeddha’s had hij op deze zelfde plaats kloosters gebouwd, dus zou zijn verering voor een Boeddha ooit minder worden?
noot: Ook dit loflied op de huisbezitter Sudatta staat niet in de oorspronkelijke proza tekst. De zeven Boeddha’s worden in de noot bij de volgende canto genoemd.
[170] Saribul voelde droefenis toen hij de levensloop van een mier bezag, en hoe die onwetend was van de wegen tot verbetering.
Ook Sudatta voelde droefenis, toen hij vernam van het mierenleven. Dit was een aansporing zichzelf te verbeteren.
noot: Terwijl ze land aan het meten waren, vroeg Sudatta aan Śāriputra waarom die zo bedroefd keek. En kreeg te horen: “Zie deze mier! In de tijden dat jij aan het bouwen was voor de Boeddha’s Vipaśyin (Koreaans: Pibashi), Śikhin (K.: Shigi), Viśvabhū (K.: Pisa), Krakucchanda (K.: Kuryuson), Kanakamuni (K.: Kanahammuni) en Kāśyapa (K.: Kasŏp), leefde deze mier hier al, nu eenennegentig kalpa’s lang. Zij kon en kan nu nog niet zich bevrijden van haar mierenlichaam. Dat is haar lot.”
[171] Zodra een duizendtal schitterende onderkomens en honderd klokkedragers waren gebouwd, ging hij naar Wangsasŏng met de koninklijke boodschap.
Zijn stralenpracht verspreidde zich in de Midden en Grote Duizend Werelden, en Hij kwam op koninklijke uitnodiging naar Sawi-land.
noot: Toen het klooster klaar was meldde Sudatta dit aan koning Prasenajit, die een officiële uitnodiging naar de Boeddha deed uitgaan. Deze reisde naar Śrāvastī en overnachtte onderweg in de drie paviljoens die Sudatta had gebouwd (zie [153]). Zijn stralen verlichtten het universum.
[172] De hemel bewoog, en de aarde bewoog. Wie zou alle gunstige tekenen in de wereld kunnen opnoemen?
Instrumentale muziek werd gehoord, de zieken genazen. Wie zou alle voordelen voor alle levende wezens kunnen opnoemen?
noot: Toen de Boeddha Śrāvastī naderde beefde de aarde en muziekinstrumenten speelden zonder dat men ze aanraakte. Zieken genazen, en alle burgers kwamen tezamen.
[173] Dankzij de zuivere geest van Sudal sprak Hij van de Wonderbaarlijke Leer waar achttien honderd duizend mensen baat bij hadden.
Dankzij de zuivere geest van de prinses toonde Hij Zijn Onovertroffen Zelf en sprak van het Sŭngman–sutra.
noot: De Boeddha onderwees de burgers en bevrijdde velen al naar hun geestelijke vermogen. Hij gaf het klooster de naam ‘Prins Jeta Bos en Weldoener’s Park’ naar de twee mannen die dit gebied geschonken hadden. De Boeddha was toen vierendertig jaar oud.
Koning Prasenajit had een dochter genaamd Śrīmālā (Sŭngman), die de Boeddha in een loflied verheerlijkte. Zijn volmaakte gestalte verscheen haar in de hemel, en hij leerde haar het Śrīmālā-devī- simhanāda–sutra, dat zij later opschreef.
[174] In zijn verlangen naar Hem sprak hij met de Geëerde, die hem toen een paar afgeknipte nagels en haren gaf.
Sudal was erg ziek en toen de Geëerde hem bezocht, voorspelde Hij dat hij een Anaham zou worden.
noot: De Boeddha predikte zes jaar lang in andere landen en Sudatta had vol ongeduld zitten wachten op zijn terugkomst. En sprak: “Ik zou graag iets kleins persoonlijks van u krijgen om te vereren.” De Boeddha knipte wat haar en nagels af en gaf hem deze. Sudatta bewaarde ze in een pagode (vergelijk [90] en [91]).
Toen Sudatta’s gezondheid achteruit ging, bezocht de Boeddha hem weer en voorspelde dat hij een hoge graad van bevrijding zou bereiken (zie [165]).
[175] Hij ging op naar de Tosŏl-hemel en werd een deva, maar vol verlangen naar Zijn deugden wilde hij Hem weer zien.
Hij daalde af om de Geëerde te ontmoeten, stralen verspreidend, en componeerde een lofzang op Hem.
noot: Na zijn overlijden ging Sudatta naar de Tushita-(Tosŏl-) hemel waar de Boeddha ook verbleven had (zie [12]), maar keerde snel weer terug naar de aarde omdat hij de Boeddha wilde zien. Zijn stralen vervulden het ‘Jeta en Weldoener’s Park’. Na de Boedha geprezen te hebben vertrok hij weer.
Bekering van Nanda, bevrijding van het land Nagarahāra
[176] Hij verzette zich tegen het monnikschap: “Laten we het voor zeven jaar uitstellen.” Klonken Palche’s woorden niet belachelijk?
Hij bepleitte het monnikschap: “Laten we het voor zeven dagen uitstellen.” Klonken Anaryul’s woorden niet juist?
noot: Twee neven van de Boeddha wilden monnik worden. De ene was Bhadrika (Palche), die echter nog zeven jaar van alle genoegens van het leven wilde genieten voor monnik te worden. Neef Anuruddha (Anaryul) vond zeven jaar te lang om te wachten, en ze kwamen uiteindelijk overeen het voor zeven dagen uit te stellen.
[177] Om hem te redden maakt Hij Nant’a monnik, en sprak: “Jij moet in deze lege kamer blijven!”
Nant’a hield van zijn vrouw, en dacht: “Zodra de Geëerde weg is, ga ik naar huis.”
noot: Toen de Boeddha besloot dat het tijd was voor zijn halfbroer Nanda (zie [39]) om bevrijd te worden, weigerde deze zijn vrouw Sundarī te verlaten. Toen de Boeddha aan zijn deur verscheen en om rijst bedelde, nam Nanda de kom en vulde die. In plaats van de rijst aan te nemen liep de Boeddha weg, dus moest Nanda hem volgen met de rijstkom in zijn hand. Toen ze bij het klooster kwamen, maakte de Boeddha Nanda monnik, maar deze wilde zijn vrouw nog niet opgeven.
[178] De waterkruiken liepen over, en dichte deuren gingen weer open; hij ging uit en volgde met opzet rustige landweggetjes.
Hij ontmoette de Geëerde, en een grote boom verhief zich, zodat hij duidelijk zichtbaar was, en opnieuw Hem moest volgen.
noot: Toen de Boeddha vertrokken was, wilde Nanda de opgedragen taak snel volbrengen, voor hij er vandoor ging. Maar de kruiken die hij vulde vielen alle omver en de vloer werd overspoeld met verspild water. Toen hij de voordeur sloot ging de achterdeur open. Hij sloot de achterdeur en de voordeur ging weer open. Hij vertrok en volgde snel een verlaten weg toen hij plotseling de Boeddha zag. Nanda probeerde zich achter een boom te verstoppen maar die verhief zich in de hemel en eenieder kon Nanda zien. Dus weer moest hij de Boeddha volgen, terug naar het klooster.
[179] De Geëerde vroeg hem het uiterlijk van zijn vrouw te beschrijven, en vroeg toen over een blinde aap. Dus vond hij Zijn woorden belachelijk.
Hij toonde hem de Tori-hemel, vervolgens de hellen. Dus vond hij Zijn woorden een bron van vreugde.
noot: Terug in het klooster vroeg de Boeddha aan Nanda of hij het terrein had verlaten om zijn vrouw te zien. En hij vroeg of ze mooi was. En Nanda gaf antwoord. Toen wees de Boeddha naar een oude blinde aap en vroeg of die aap te vergelijken was met de schone Sundarī. Nanda kon deze vraag niet begrijpen. Daarop nam de Boeddha hem mee naar de Trayastrimśās-(Tori-) hemel, waar deva’s in paleizen verbleven in gezelschap van hemelse meisjes van adembenemende schoonheid. In één paleis was geen deva en Nanda vroeg waarom dat was. De meisjes vertelden hem dat dit paleis was voorbestemd voor de halfbroer van de Boeddha. Toen de Boeddha hem vervolgens vroeg wat hij dacht van de schoonheid van zijn vrouw in vergelijking met deze hemelse meisjes, moest Nanda toegeven dat Sundarī er als een aap uitzag.
Vervolgens bezochten ze een vreselijke hel waar mensen in ketels gekookt werden. Maar één ketel was leeg en de bewaker legde uit dat deze was voorbestemd voor de halfbroer van de Boeddha indien die zijn verdiensten verzaakte. De Boeddha nam de geschokte Nanda mee terug naar de aarde en verzekerde hem dat zo’n vreselijke straf vermeden kon worden door de strikte kloosterdiscipline te volgen. Verheugd sloot Nanda zich meteen aan bij de broederschap.
[180] Binnen een week bereikte hij het arhat niveau, en alle monniken waren vol lof.
Hij vertelde de monniken dat dit niet de eerste keer was, en dat Hij eens het land Kashi had gered.
noot: Na al deze gebeurtenissen werd Nanda in heel korte tijd een arhat , en de monniken prezen de Boeddha met dit resultaat. De Boeddha legde toen uit dat dit niet zijn eerste band met Nanda was en vertelde het volgende verhaal:
“In een vroeger bestaan dreigde de koning van Kashi (Koreaanse naam) met oorlog tenzij de koning van Pijehŭi (idem) beloofde hem een heel mooi meisje te geven. Juist in die tijd was in het oerwoud een vrouwtjes aap overleden en haar bedroefde man ontvoerde het wijfje van een andere aap. Deze laatste probeerde haar te redden, maar de ontvoerder nam zijn slachtoffer mee naar een geheime plaats in het koninklijk paleis van Kashi. De bedrogen echtgenoot en zijn volgelingen verschenen bij de hoofdpoort en eisten de overgave van de schurk en het slachtoffer. De koning van Kashi beval hem toen weg te gaan, waarop de echtgenoot schreeuwde: ‘Jij hebt duizend vrouwen in je paleis en wil oorlog voeren voor nog één, en beveelt mij het erbij te laten als een bandiet mijn vrouw ontvoert?’ De koning zag de juistheid van deze woorden in, liet het paar herenigen en blies de aanval op Pijehŭi af.
Dit verhaal vormt de sleutel tot de huidige situatie: In een vorige incarnatie was Nanda de koning van Kashi, de schoonheid was Sundarī, en ik was de aap die voor zijn rechten opkwam.”
[181] Het land Nagŏn’gara stond machteloos tegenover roofzuchtige draken en nach’al. Alle inspanningen om ze het land uit te drijven faalden.
In navolging van de woorden van de brahmaan Kongshin veranderde de geur van koning Pulbabuje’s verering in een gouden parasol.
noot: Het land Nagarahāra (Nagŏn’gara; een plaats in modern Afghanistan) werd geterroriseerd door woeste draken en rāksasa (nach’al), demonen hier in de vorm van vrouwelijke draken. Ze sloegen het arme land met epidemieën. Omdat alle pogingen het koninkrijk te bevrijden van de kwade krachten vergeefs waren, raadde de brahmaan Śūnyatā (Kongshin) de koning om eer te bewijzen in de richting van de geboorteplaats van de Boeddha. De koning volgde deze raad op, en de zoete geur van zijn offers dreef naar het klooster van de Boeddha en omringde hem in de vorm van een gouden parasol. De Boeddha begreep de boodschap meteen en beval zijn scherpzinnigste monniken om zich bij de koning van Nagarahāra te melden.
[182] Dicht bij een vijver op de top van een kristallen berg stond, tussen rijen bomen van de Zeven Edelstenen, in een zilveren grot een rustbank.
Op deze gouden bank zat Kasŏp die zijn vijfhonderd leerlingen de twaalf dhūta liet verbeteren.
noot: Kāśyapa (zie [147]) had zijn leerlingen een kristallen berg laten maken met stroompjes, vijvers en gouden rustbanken. Onder zijn toezicht vervolmaakten zij de twaalf regels (dhūta) voor bedelen, eten en zich kleden. Deze berg nu dreef op een zachte bries naar Nagarahāra.
[183] Ontelbare draken kronkelden zich tot een zetel. Het vuur uit hun muilen veranderde in een zitbank van Zeven Juwelen.
In de schaduw van kostbare schermen, parasols en banieren zat Taemokkŏllyŏn, die als een volmaakt kristal straalde.
noot: De leerlingen van Maudgalyāyana (zie [112]) veranderden in draken die een podium vormden met een zitbank voor hun meester. Toen deze neerzat temidden van alle ceremoniële voorwerpen vlogen ze naar Nagarahāra.
[184] In een grot van witte jade zat Saribul in de Sneeuwbergen, met vijfhonderd monniken in grotten van Zeven Juwelen.
Uit Saribul’s lichaam, dat als goud glansde, kwamen gouden stralen, terwijl hij de Leer uiteen zette voor de shami monniken.
noot: In een grot in de Sneeuwbergen die voor hem gemaakt was, onderwees Śāriputra (zie [112]), omgeven door zijn monniken in hun grotten, de Leer van de Boeddha terwijl ze tezamen naar Nagarahāra vlogen.
[185] Lotusbloemen werden een gouden platform onder een gouden parasol, en vijhonderd monniken begeleidden Kajŏnyŏn.
Zij zaten allen op dat platform en uit hun lichamen stroomde water tussen de bloemen, zonder de aarde nat te maken.
noot: Kātyāyana (Kajŏnyŏn), een van de Boeddha’s briljantste leerlingen, zat op een platform van lotus bloemen. Samen met zijn vijfhonderd leerlingen reisde hij door de lucht naar Nagarahāra, terwijl de bloemen op wonderbaarlijke wijze bewaterd werden.
[186] Elk van de vier discipelen zat aldus, begeleid door vijfhonderd monniken, en reisde door de lucht.
Door goddelijke kracht reisden duizend en tweehonderd en vijftig leerlingen door de lucht, vliegend als wilde ganzen.
noot: Naast de meest voortreffelijke discipelen van de Boeddha en hun volgelingen, was ook een andere groep monniken naar Nagarahāra vertrokken.
[187] Na Zijn discipelen vooruit gezonden te hebben nam Hij zijn pij en kom en vertrok ook, vergezeld door Anan.
Terwijl de deva’s Hem volgden zond Hij zijn stralen uit, en alle boeddha’s vergezelden Hem.
noot: Nu vertrok ook de Boeddha met Ānanda, naar Nagarahāra. Hij werd gevolgd door deva’s en Boeddha’s van verleden en toekomst.
[188] De zestien wilde draken toonden hun afschuwelijke aard. Ze spuwden vuur en veroorzaakten buien van hagelstenen.
De vijf vrouwelijke nach’al monsters toonden hun afstotelijke gezichten, en uit hun ogen sprong vuur als bliksemschichten.
noot: Zodra het leger van de Boeddha verscheen, gingen de draken tot een vurige aanval over, waarbij hagel stortregende en de ogen der rāksasa vuur schoten.
[189] Vuur verspreidde zich uit de donderkeilen der Vajra-deva’s, en de woeste draken werden doodsbang.
In de schaduw van de Geëerde sprenkelden ze Zoete Dauw, zodat de draken amper aan de dood ontkwamen.
noot: Wachtergeesten (Vajrapāni) zwaaiden hun wapens om de Leer te beschermen, en in paniek renden de draken naar de schaduw van de Boeddha, waar het koel was door Zoete Dauw (zie [68]).
[190] Wachtergeesten uit de ganse cosmos hielden elk een donderkeil, dus zelfs het slechtste schepsel zat vol angst, voorwaar!
Geëerden uit de ganse kosmos verspreiden elk hun stralen, dus zelfs het slechtste schepsel was vol vreugde, voorwaar!
noot: De draken waren verschrikkelijk bang voor de Vajrapānis. Ze zagen alle Boeddha’s en leerlingen overal in de kosmos en raakten diep onder de indruk.
[191] Angstig bereidde de drakenkoning een zetel van Zeven Juwelen voor Hem, en sprak: “O Boeddha, red me, alstublieft!”
Vol respect spreidde de koning van het land een witte deken en een net vol parels uit, en sprak: “O Boeddha, treed binnen, alstublieft!”
noot: De drakenkoning gaf zich over en schonk de Boeddha een kostbare zetel uit zijn vijver. En de koning van Nagarahāra bereidde vol vreugde een prachtige ontvangst voor de Boeddha.
[192] Hij hief Zijn voet op en een vijfkleurige glans fonkelde, bloemen bloeiden en er verschenen bodhisattva’s.
Hij hief Zijn arm op en het regende juweelbloemen die in Gouden Vleugels veranderden, die de draken angst aanjoegen.
noot: Toen de Boeddha voor de koninklijke schermen trad, kwam er vanuit zijn voeten een wonderlijk licht dat in bloemen veranderde. Tussen de bladeren zaten bodhisattva’s die de Boeddha prezen. Toen hij zijn armen uitspreidde, kwam er vanuit zijn vingers een juwelenregen die er voor de draken uitzag als een vlucht garoeda’s (Gouden Vleugels; zie [161]). Ze renden naar een schuilplaats en vonden die in de schaduw van de Boeddha.
[193] Op gouden platforms bezet met de zeven juwelen stonden lotussen van zeven juwelen, en hoeveel Boeddha’s zaten daar met gekruiste benen?
Binnen de kristallen grot verschenen kristallen rustbanken, en hoeveel monniken zaten daar in de Vuurgloed-samādhi?
noot: De Geëerde trad voor het koninklijk scherm en Ānanda spreidde een deken uit die veranderde in ontelbare gouden platforms vol juwelen lotussen. De Boeddha zat op zijn bank omringd door alle andere Boeddha’s, en de monniken bewezen hen eer voordat ze op hun matten plaats namen. Deze veranderden in kristallen zetels, en de pracht ervan nam de vorm aan van een kristallen grot, waar de monniken de staat van ‘vlammen-samādhi’ (diepe meditatie waarbij vuur uit het lichaam komt of zelfs het lichaam verbrandt) ingingen.
[194] Na van al Zijn transformaties getuige te zijn geweest, bereikte de koning de juiste geestestoestand, en evenzo al zijn onderdanen.
Vol angst voor de donderkeilen veranderde de drakenkoning zijn boosaardige geest, en evenzo al zijn nach’al.
noot: Toen hij al deze wonderen aanschouwd had, besloot de koning naar het Juiste Inzicht te streven en maande zijn onderdanen hun hart te openen. Ook de draken kregen spijt, besloten hun levenswijze te verbeteren en gaven zich over aan de Boeddha en zijn leer.
[Einde van deel 1 van het Lied van de Maan]
{Ergens tussen Wŏrin Sŏkpo delen 3 en 6 (veel van de tekst is verloren gegaan) werd een canto ingelast bij het Lied van de Maan. Hierdoor verandert de nummering in de moderne edities: canto [195] wordt [196]}
[196] Hij kwam met lege kommen maar door de grote macht van de Boeddha kon hij de ontelbare massa’s onthalen.
Terwijl ze goddelijk voedsel aten, gingen ze de Boeddha-aanroepende-Samādhi in en zo hoorden ze de woorden van verschillende Boeddha’s.
noot: De koning wilde een feest geven voor de Boeddha en zijn monniken, maar de Boeddha vroeg hem alleen lege kommen te brengen. Deze werden op wonderbaarlijke wijze gevuld. Allen die van het goddelijke voedsel aten gingen spontaan in de meditatie die de Boeddha aanroept, en ze zagen zijn ware verschijning.
[197] De koning hoopte dat Hij zou komen, en de draak hoopte dat Hij zou blijven. Welke van de twee wensen ging Hij vervullen?
Tot de draak sprak hij: “Ik blijf!”, en tot de koning: “Ik kom!” Hoe kon Hij tegelijk op beide plaatsen zijn?
noot: De koning had de Boeddha uitgenodigd in zijn stad, maar de draken en nach’al smeekten Hem te blijven zodat ze zijn preken konden horen, omdat ze anders weer in boze geesten zouden veranderen. Alle Brahmā-deva’s bezworen de Boeddha de mensen, en niet die draken, verlichting te brengen.
[198] Hij glimlachte bij de woorden van alle deva’s. Uit Zijn mond straalde licht: ontelbare Boeddha’s werden door bodhisattva’s bediend.
Hij zat in de drakengrot; en Hij betrad de koninklijke stad. In talloze landen verklaarde de Tathagata de Leer.
noot: De Boeddha glimlachte om de bezwaren van de deva’s, en lichtstralen verlieten zijn mond. Elke straal werd een Boeddha, elk begeleid van ontelbare bodhisattva’s. Toen vroeg hij de drakenkoning hem de nach’al grot te schenken, waar alle kwaad vandaan was gekomen, maar tegelijkertijd onderwees hij de Leer in Nagarahāra, en in Śrāvastī, Kapilavastu en andere plaatsen.
[199] Hij toonde Zijn achttien gestaltes, en liet Zijn beeld weerspiegeld zijn, en sprak: “Verbeter uw slechte gedachten!”
Alle goden kwamen samen en vereerden Zijn gestaltes en luisterden weer naar de Juiste Leer.
noot: Om de draken gerust te stellen dat hij hen niet verliet, toonde hij zijn veelvuldige incarnaties en liet zijn beeld achter op de wand van de grot voor de volgende vijftienhonderd jaar. Het beeld was van verre te zien, maar niet van dichtbij. Goden kwamen offers brengen aan dit beeld dat hen onderwees in de Leer.
De Chinese pelgrim Xuanzang trok door dit gebied in de 7e eeuw, maar hij zag slechts een zwakke gelijkenis met de schaduw van de Boeddha. “Maar eenieder die met vurig geloof bidt, wordt op mysterieuze wijze begiftigd, en ziet hem duidelijk voor zich, maar niet voor lang”. Xuanzang vertelt dat deze draak een herder was die de koning van melk en room voorzag maar op een dag een standje kreeg. Hij pleegde zelfmoord met de wens in zijn volgende leven een draak te worden om de koning en zijn land te straffen. Dit zou gebeurd zijn als de Boeddha niet tussen beide was gekomen.
{Vanaf hier ontbreken grote stukken van delen 2 en 3 van het Lied van de Maan, waarin waarschijnlijk ook de dood (het Nirvana) van de Boeddha verteld wordt. De volgende canto’s zijn nog wel in de overgebleven delen van de Wǒrin Sǒkpo:}
Korte inhoud van deels overgeleverde teksten
[200-211:] een beschrijving van het paradijs van Amit’a (Amitābha) Boeddha, met zijn pracht, vogels en muziek.
[212-219:] De Boeddha verklaart voor de echtgenote van koning Pyǒngsa (Bimbisāra) de stadia van studie en meditatie.
[220-250:] Het verhaal van Prins Allakkuk (Prins Paradijs) dat niet in Chinese soetra’s te vinden is (zie noot 10 boven).
[254-255:] Munsu (Mañjuśrī), Boeddha van de Wijsheid, verklaart de Yaksa-gyǒng (Soetra van de Boeddha van de Geneeskunst).
[260-266:] De Boeddha bezoekt zijn stervende vader.
[267:] Ananda overtuigt de Boeddha nonnen tot de orde toe te laten.
[268:] Het wonder van de vijfhonderd rovers die door één pijl verslagen worden.
[269-271:] De Boeddha leert de drakenkoningen hoe ze gunstige regen over de natuur en de mensen kunnen brengen.
[280-293, 310-324:] Vertaling in verzen uit het Lotus-soetra.
[412-414:] Uit het Soetra van de Opstijging van de Boeddha naar de Tori Hemel om zijn Moeder Verlichting te brengen.
[415-417:] Uit het Soetra van Chijang (de bodhisattva Kşitigarbha) en het Soetra van Chijang’s Gelofte.
[418-424:] Uit een verhaal over de deugd als iemand een pagode bouwt (Chot’ap yŏn’gi).
[425-429:] Uit teksten die lijken op het verhaal “De Prins van Vārāņasī” (P’aranal wangja).
[500-519] Uit het in Oost-Azië bekende verhaal hoe Mongnyŏn zijn moeder uit de hel redde. (Zie de vertaling elders: “Mongnyŏn, leerling van de Boeddha”)