Japan
Biografieën van bestuursleden 1917-1936
Naast gegeven titels is de hoofdbron de kranten-database Delpher
Abendanon, Jacques Henri (Paramaribo, 14-10-1852 - Monaco, 13-12-1925)
Voorzitter van de Japansche Commissie (dec 1917 - dec 1918)
Zoon van Simon, bankier van de Surinaamsche Bank, en Julia Abendanon, verhuisde Jacques Henri in 1862 met zijn ouders naar Nederland. Hij bezocht het Gymnasium te Leiden en voltooide de studie Rechten aldaar en behaalde te Delft het groot-ambtenaarsexamen.
Hij trouwde in 1876 met Anna Elisabeth de Lange. Ze kregen drie zoons. Na haar overlijden in 1882 hertrouwde hij in het volgende jaar met de Puerto-ricaanse Rosa Manuela Mandri.Zij kregen geen kinderen.
Maart 1875 begon hij in Batavia, Nederlands-Indië, als veelzijdig jurist zijn carrière: 1881 en 1884-1889 lid van de Raad van Justitie. Secretaris, dan (1900) directeur van het Departement van Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid. In 1901 wist hij de nieuwe Minister van Koloniën, J. Th. Cremer, over te halen vrouwen toe te laten tot het kleinambtenaarsexamen zodat ze konden worden benoemd in ‘voor haar geschikte betrekkingen’ (Fasseur p.386).
1894 en 1896 was Abendanon raadsheer bij het Hooggerechtshof van Ned.-Indië.
Abendanon was een ‘ethisch ambtenaar’ die voor gelijkwaardigheid van de volkeren ijverde en voor beter onderwijs aan inheemse meisjes. Het Levensbericht van J.H. Abendanon 1852-1925 noemt hem een uitmuntend verdediger van de rechten der Indische bevolking en somt op: hij was medeoprichter van de Vereeniging Oost en West, Commandeur der Orde van de Kroon v. Siam (1896); Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw (1899); Commandeur der Orde van Cambodja (1903); Erelid van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (1905).
Dat laatste jaar ging hij met pensioen en reisde via China, Japan, Honolulu, de V.S., de Antillen, Porto Rico en Suriname (waar hij 41 jaar niet geweest was) naar Nederland. Wegens langdurig verblijf in het buitenland werd hij in 1918 als voorzitter van de J.C. opgevolgd door P.J. de Kanter [zie daar]. In 1923 was hij lid van het Centraal Nederlands Comité Ramp Japan 1923 dat geld verzamelde voor het door een zware aardbeving getroffen Japan.
Publicaties
- Door duisternis tot licht; 1911 (een selectie van de brieven van de vroege Indische feministe Kartini aan Abendanon en speciaal aan zijn vrouw).
- Het voorwoord in de circulaire Zij en wij, 1918 (uitgave nr. 4 van de Japansche Commissie).
- Het onderwijs in Japan, 1918 (hoofddoel: “nagaan hoe Japansche jongelieden in Nederland hun studie kunnen voltooien”, “want uit zulke contacten zullen vriendschaps-banden ontstaan tot in lengte van dagen.”)
Bronnen
- Bosboom, H.D.H., “Levensbericht van J.H. Abendanon 1852-1925”, Levensberichten van de Mij. der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1926.
- Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950, Amsterdam, 1994.
- Hazeu, G.A.J., “In memoriam: Mr. J.H. Abendanon”, Koloniale Studiën, I, 1926, pp.335-347.
- Mitrasing, F.E.M., De Surinaamse jurist en drie biografieën: J.H. Abendanon, J.A.E. Buiskool, C.R. Biswamitre, S.l.: s.n., [1977] (“Abendanon was bezield van vurige idealen ten behoeve van de nooddruftige inheemse bevolking van Indië”.)
- https://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/abendanon
Van en over Kartini (1879-1904)
- [Kartini,] Brieven aan mevrouw R.M. Abendanon-Mandri en haar echtgenoot met andere documenten, bezorgd door F.G.P. Jaquet, Dordrecht, 1987 (zie ook: F.G.P. Jaquet, Kartini: een reactie, ca. 1987: “Abendanon beschouwde de Indonesiërs als volstrekt gelijkwaardig aan de blanken.”)
- (voor foto’s:) Rob Nieuwenhuys, Met vreemde ogen, Amsterdam, 1998:92 ff (over de relatie van het echtpaar Abendanon met de vroege feministe Kartini).
- Louis Couperus was een bewonderaar van haar (F. Bastet, Louis Couperus – een biografie, A’dam, 1987:651-652).
- Zie ook hieronder: H. van Kol.
Doeff, Hendrik (Amsterdam, 1863- Scheveningen, 1918)
Lid van de Japansche Commissie, 1917-1918
Doeff was van adel, evenals zijn vrouw Johanna Schimmelpenninck van der Oye. Na studie aan de ‘Indische Instelling’ te Delft werd hij aspirant-ambtenaar o.m. bij het Binnenlands Bestuur te Makassar; vanwege zijn gezondheid keerde hij terug naar Nederland. Zijn reputatie als schrijver over het leven van de Europeaan in de tropen bracht hem eerst bij de redactie van de Oprechte Haarlemmer, daarna bij de Nieuwe Courant (waar hij vooral over Z.-Afrika schreef), vervolgens bij de Java Bode, waar hij na enige onenigheid vertrok; in Nederland was hij redacteur van het Koloniaal Tijdschrift en de NRC.
Doeff kreeg vaak Japans bezoek die oude documenten kwamen inzien. Want hij was een nazaat van de Hendrik Doeff die van 1803 tot 1817 ‘opperhoofd’ van de Nederlandse handelspost op Deshima was geweest. P.H. van der Kemp, auteur van “Decima, tijdens Nederlands toevoeging aan Frankrijk” (Nederlandsch-Indië Oud & Nieuw, dec. 1918) roemde de medewerking die hij van “den zeer betreurden doode” ontving voor dit artikel, en plaatste een foto van Doeff bij zijn in memoriam.
Op 16 sept. 1918 was hij bij een tragisch ongeval in Scheveningen om het leven gekomen.
Bron
- P.H. van der Kemp, “Decima, tijdens Nederlands toevoeging aan Frankrijk”, Nederlandsch-Indië – Oud & Nieuw, dec. 1918.
Dresselhuijs (Dresselhuys), Hendrik Coenraad (Culemborg, 1870- Den Haag, 1926)
Lid van de Japansche Commissie, 1917-1919
Na het gymnasium studeerde hij rechten te Utrecht, waar hij ook promoveerde.
1896 trouwde hij Johanna Wilhelmina Elisabeth de Meijere.
Hij was gemeenteraadslid en rechter in Tiel (1903), en van 1911 tot 1916 secretaris-generaal op het ministerie van justitie. In 1905 steunde hij de oprichting van de Bond van Vrije Liberalen, een afsplitsing van de Liberale Unie, en werd in 1916 lid van de 2e Kamer voor de BVL. De Bond werd o.a. gesteund door de BENISO (Bond van Eigenaren van Ned. Indische Suiker Ondernemingen). Op zijn opmerking in de kamer over “de uitstekende inlichtingen-dienst van Japan” antwoordde mr. Marchant dat “Indië wemelt van Japanse spionnen” (1917).
Dresselhuys bleef kamerlid tot zijn dood, en bekleedde functies in zo’n 17 commissies en verenigingen, o.a. de Nederlandsche Anti-Oorlogsraad en de opvolger, de Vereeniging voor Volkenbond en Vrede.
Bronnen
Kanter, Pieter Johannes de (Gouda, 1868- Den Haag, 1953)
Voorzitter van de Japansche Commissie, dec. 1918- 1919, als opvolger van Abendanon.
Zoon van de medicus N.H. de Kanter en van Jkvr. L.F. v. Haeften. Na het gymnasium te Dordrecht volgde hij een opleiding tot notaris maar werd 1891-1920 directeur van de Brandverzekerings Maatschappij ‘Holland van 1859’. Hij trouwde in 1893 Henriëtte J.J. barones Collot d’Escury, dochter van mr. Emond Baron Collot d’Escury, griffier van het kantongerecht te ‘s Gravendeel. Haar broer Jacob werd directeur van het bijkantoor Parijs der Levensverzekering Maatschappij Utrecht. Haar jongere zus Helen trouwde Th.W. baron Van Boetzelaer, majoor der artillerie.
We komen later nog een achterneef van Henriëtte tegen, Cornelis Johannes baron Collot d’Escury, directeur van de Nederlandse Handel Mij., die met T.L. Leuftink, bestuurslid van de Nederlandsch-Japansche Vereeniging, en anderen, in 1940 de Assurantie Mij. “Brandaris” opricht.
Kinderen van Pieter J. en Henriëtte waren o.a. Pieter J.E. (geb. 1900), adjunct-directeur der N.V. Brandverzekerings Mij. ‘Holland van 1859’ te Dordrecht, gehuwd met Jkvr. Renée H.L.C. van Asch van Wijck; en Mr. Adriaan C. (geb. 1905), directeur der N.V. Zuid-Nederlandsche Scheepshypotheekbank, gehuwd met Johanna Renée de Monchy. (Een ‘verre’ relatie: Johanna, geboren 1908, was een kleindochter van Engel Pieter de Monchy die via zijn tante Maria weer een neef was van H.K. Westendorp, kunstverzamelaar en bestuurslid van de latere Nederlandsch-Japansche Vereeniging 1.)
De Kanter bekleedde vele functies: 1897-1922 was hij gemeenteraadslid en 1907-’10 wethouder te Dordrecht; tussen 1909 en 1922 drie maal lid van de 2e Kamer voor de Liberale Unie; en in augustus 1919 werd hij voorzitter van de Vereeniging tot Verbreiding van Kennis over Nederland in den Vreemde. 1921 werd De Kanter directeur van de Bank voor Nederlandsche Gemeenten. In die functie was hij september 1923 lid van het Centraal Nederlands Comité Ramp Japan 1923, en rond 1926 voorzitter van het Algemeen Nederlandsch Verbond (vereniging voor taal, letterkunde en maatschappij van Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika).
De Kanter sprak o.a. bij de 80e verjaardag van H. Muller, voormalig penningmeester van de Japansche Commissie, in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden, in aanwezigheid van oud-ministers en leden van het Algemeen Nederlands Verbond (1939), en twee jaar later bij diens begrafenis.
Zie ook hieronder : H. Muller.
Bron
Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938:776-777.
Nederland’s Patriciaat, nr. 25, 1939:145-148.
- Nederland’s Adelsboek, nr.81, 1991:271,272,282.
Kleiweg de Zwaan, Joh. Pieter (Den Haag, 1875 – Blaricum, 1971)
Lid van de Japansche Commissie, 1917
Johannes Pieter was een zoon van Hendrik de Zwaan en Ariana Jacoba Kleiweg. In oktober 1878 mocht de familie formeel ‘Kleiweg’ toevoegen aan ‘De Zwaan’.
Hij deed in 1903 zijn arts-examen (studie te Leiden, Amsterdam, Berlijn, Parijs), en ging in 1907 als assistent mee op expeditie naar Midden-Sumatra. Daarna bezocht hij Java en andere eilanden, Japan en India. Hij had interesse voor oude Japanse (en Chinese) geneeskunde en de Hollandse invloed daarop. 1908 promoveerde hij op de Universiteit van Amsterdam op zijn Bijdrage tot de anthropologie der Menangkabau-Maleiers. In 1910 deed hij antropologisch en medisch onderzoek op Nias en werd dat jaar privaatdocent medische cultuurgeschiedenis aan de UvA. Zoals toen gangbaar was legde hij zich vooral toe op het meten van schedels en penisstaafjes van bepaalde bewoners van Nederlands-Indië (Fasseur p.409).
1912 trouwt hij Frederika P.H. Vellema, dochter van een notaris in Bandoeng. Zij hielp haar man met zijn kunstverzamelingen en fungeerde o.a. als fotografe op zijn expeditie naar Bali en Lombok in 1938.
In 1919 is hij bijzonder hoogleraar antropologie aan de Universiteit van Amsterdam; in 1924 buitengewoon en in 1932 gewoon hoogleraar (antropologie en prehistorie); 1939 volgt eervol ontslag.
Tijdens het interbellum is hij o.a. secretaris, dan voorzitter van het Aardrijkskundig Genootschap; 1927 en 1938 organiseert hij twee grote internationale congressen in Amsterdam.
Publicaties
- o.a. Oude betrekkingen tusschen Nederland en Japan (in: Koloniaal Tijdschrift, mei en juni 1918; dat jaar ook als uitgave van de Japansche Commissie te Amsterdam verschenen; een gedetailleerd werk waarin hij een paar keer de Japanse dankbaarheid voor de Nederlandse bijdrage aan de moderne ontwikkeling van het land noemt, e.g. “Als onze staatsman Van Kol gelijk heeft kunnen wij ook in de toekomst op Japanse erkentelijkheid rekenen. Het gedenken dier oude betrekkingen (…. zal) de vriendschappelijke gevoelens bestendigen.”)
- Ook publiceerde hij op het gebied van de (nu verouderde) fysische antropologie en de prehistorie, o.a. De oudste mensheid in Europa en Indonesië (anthropologisch beschouwd), Den Haag, 1956.
Bronnen
- Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost (1825-1950), Amsterdam, 1994.
- Wentholt, red., In kaart gebracht met kapmes en kompas: met het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap op expeditie tussen 1873 en 1960, Heerlen, 2003, pp.79-83.
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Johannes_Pieter_Kleiweg_de_Zwaan
Kol, Hendrikus Hubertus van (Eindhoven, 1852- Aywaille, België, 1925)
Lid van de Japansche Commissie, 1917
Henri was de zoon van Christianus Adrianus Hubertus van Kol, leerlooier, hotelier en koopman, en Maria Anna Schutjes.
Hij volgde als gegoede katholieke jongen de HBS in Roermond en studeerde 1870-1875 waterbouwkunde aan de Polytechnische School te Delft. Hij was “een vermogend socialist.”
In 1871 wilde hij de Communards in Parijs helpen maar kwam te laat. De opstand was al neergeslagen. Het volgende jaar was hij tijdens het Congres van de Internationale te Den Haag gids voor de familie van Karl Marx en ontmoette F. Engels en K. Liebknecht. In 1876 vertrok hij naar Indië om te helpen bij irrigatie op Oost-Java. In zijn eerste boek Christendom en socialisme (Den Haag 1881) bepleitte hij het samengaan van socialisme en katholicisme om de wereldproblemen op te lossen. Ook bepleitte hij het algemeen kiesrecht. Later ontmoette hij Domela Nieuwenhuis en Multatuli.
Op Java leerde hij de schrijfster Jacoba M.P. Porreij kennen en trouwde haar in 1883. Ze vertrokken het volgende jaar om gezondheidsredenen naar Aywaille in België maar in 1886 werkte hij weer op Java aan irrigatiewerken.
In 1888-1889 werd zijn Kapitalisme of socialisme gepubliceerd, later gevolgd door andere werken.
In 1892 keerde hij weer met verlof i.v.m. gezondheid terug naar Europa, en ontmoette en steunde allerlei socialisten. 1894 was hij met o.a. P.J. Troelstra medeoprichter van de SDAP, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij.
Van 1897-1909 zat hij in de Tweede Kamer en hield zich met name met het kolonialisme bezig. Zo bepleitte hij het Nederlands bestuur te beperken tot Java en Sumatra. In 1902 liet hij zich een paar weken door H. Colijn, adjudant van luit.-generaal Van Heutsz, in Atjeh rondleiden, en zich door deze twee overtuigen van de juistheid van het Nederlandse militaire optreden aldaar. Zijn verslag werd in de kranten Het Volk en Het Vaderland scherp bekritiseerd.
Tijdens zijn reis in Indië in 1902 ontmoette Van Kol de jonge feministe Kartini en haar zusters. De relatie werd hartelijk. Met het echtpaar Van Kol besprak Kartini haar plan om in Nederland een opleiding te volgen, dat door Van Kol in de Kamer verdedigd werd.
Tussen 1913 en 1924 was hij lid van de 1e Kamer.
1914 bezocht Van Kol in opdracht van de regering Japan om de industrialisering in dat land te bestuderen. Dit met het oog op de mogelijkheden voor Nederlands-Indië.
Zijn vrouw Jacoba (Nellie) was een meer spirituele weg ingeslagen en vanaf 1919 woonde Van Kol samen met de Japanse journaliste Otawa Tomi.
Hij was lid van het Centraal Nederlandsch Comité Ramp Japan 1923; en van de vereniging “Oost en West”. Twee jaar later overleed Van Kol na een ongelukkige val.
Publicaties
- “De historische verhouding tussen Japan en Nederland” (in: De Indische Gids, nov. 1914).
- De ontwikkeling der groot-industrie in Japan, 1-2, Den Haag, 1916 (verslag van zijn reis, 1914).
- Japan: indrukken van land en volk, Rotterdam, 1917.
- Oud en nieuw Japan: grepen uit het leven, Rotterdam, 1921 (voorwoord van prof. M.W. de Visser; een zeer positief verhaal over Japan, bv. over Ōkuma Shigenobu; wel kritisch over de man-vrouw relatie. Beide werken werden door prof. Vos, 1989, “excellent books” genoemd).
Bronnen
- https://socialhistory.org/bwsa/biografie/kol.
- Rijks Ethnografisch Museum te Leiden – Verslag van den directeur over 1/10/1914~ 30/9/1915 (p.14: “geschenk van dhr. H.H. van Kol, Voorschoten”).
- J. de Bruijn e.a. (red.), “Colijn – Bouwstenen voor een biografie, Kampen, 1994:55-57.
- Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950, A’dam, 1994.
- F. Vos, “Japanese studies until 1940”, in: W. Otterspeer (ed.), Leiden Oriental Connections, 1850-1940, Brill, 1989:371.
- E. Vanvugt, Roofstaat – Wat iedere Nederlander moet weten, Amsterdam, 2016.
Over Van Kol: “de eeuwige dwarsligger (in de Tweede Kamer)” (Fasseur, 1994:388).
Muller, Hendrik Pieter Nicolaas (Rotterdam, 1859- Den Haag, 1941)
Penningmeester van de Japansche Commissie, 1918-1919?
Van welgestelde koopmansfamilie, volgde hij de HBS in Rotterdam en de Realschule in Frankfurt am Main; liep vervolgens stage op handelskantoren in Nederland, Engeland en Frankrijk. Een koopman, reiziger, etnograaf, publicist en diplomaat. Hij reisde 1889-1890 door N.- en W.-Afrika o.a. om soldaten te werven voor het Nederlandsch Oost-Indische Leger. Hij besteedde het grootste deel van zijn leven aan handel en politiek in, en studie van Afrika. Zo promoveerde hij in 1894 op de universiteit van Giessen, Duitsland, met het proefschrift Land und Leute zwischen Zambezi und Limpopo.
1908-1909 maakte hij zijn Azië-reis. Voor de Japanners zelf had Muller niet veel sympathie, maar hun krachtdadigheid bewonderde hij: “leelijke mannetjes met harde gebiedende trekken in even leelijke Europeesche pakjes gestoken.” (Van der Meulen, p.306, 312).
Aug. 1915 trok hij zich terug uit het openbare leven, wijdde zich in Den Haag o.a. aan het schrijven van dl.2 van Azië gespiegeld. Ook verzorgde hij een uitgave van documenten van de Oost-Indische Compagnie in Cambodja en Laos.
1919-1923 was hij te Boekarest buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister voor Nederland, met de belofte dat hij daarna een betere post zou krijgen. Hij reisde veel rond in Roemenië. 14-10-1921 schreef hij Minister Van Karnebeek: “Den geheelen handel, ook het marktbedrijf hebben (de Joden) in handen.(…) Zeker zuigen zij de overige bevolking uit. (…) (Maar) Roemenië kan niet zonder hen.”
Zomer 1923 kreeg hij een nieuwe post in Praag hoewel hij liever in het Verre Oosten had gezeten, bij voorkeur in Japan. Nov. 1931 besloot hij terug te treden en ging in Den Haag wonen. 1931 volgde de benoeming tot doctor honoris causa in de rechten door de Universiteit van Z.-Afrika. Muller deed grote schenkingen o.a. van etnografische voorwerpen uit Zuid-oost-Afrika aan het Rijks Ethnografisch Museum.
Bij de lintjesregen van 1936 krijgt hij (eindelijk) het Grootkruis in de Orde van Oranje Nassau. Twee jaar later werd een borstbeeld van hem te Bloemfontein (Z.-Afrika) onthuld.
Van zijn 80e verjaardag werd uitvoerig in de kranten bericht. Een comité onder leiding van oud-gouverneur-generaal van Ned.-Indië Dirk Fock organiseerde een huldeblijk: op 18 juli werd in het Rijksmuseum voor Volkenkunde (voorheen het Rijks Ethnografisch Museum) nóg een borstbeeld van Muller onthuld. Sprekers waren o.a. D. Fock en P.J. de Kanter (namens het Algemeen Ned. Verbond). De laatste noemde Muller “in de eerste plaats een Zuid-Afrikaner (…), en altijd een goed vaderlander”.
Bij zijn overlijden ontving het museum zijn collectie Z.-Afrikaanse etnografica.
Bij de begrafenis op Oud Eik en Duinen in Den Haag sprak De Kanter weer over Muller’s band met Z.-Afrika. De Duitse bezetter tolereerde dat op de kist de vaderlandse driekleur lag en dat het orgel het Wilhelmus speelde.
Op 16-5-’42 werd bij testamentaire beschikking het Dr. Hendrik Muller’s Vaderlandsch Fonds opgericht met als doel het ondersteunen van onderwijs en cultuur in het land.
Publicaties
- Azië gespiegeld, 1-2, Utrecht: H. Honig, 1912-1918 (van een neutrale tot licht kritische toon over Japan’s beleid in Korea).
- Zij en wij, 1918 (Brochure voor de Japansche Commissie).
Bronnen
- https://nl.wikipedia.org/wiki/Hendrik_Pieter_Nicolaas_Muller
- https://www.dbnl.org/auteurs/auteur.php?id=mull034
- http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn5/muller
- Rijks Ethnografisch Museum te Leiden – Verslag van den directeur over 1931, p.2; id. 1941, p.2.
- Dik van der Meulen, Dr. Hendrik Muller. Wereldreiziger voor het vaderland (1859-1941), A’dam: Querido’s Uitg., 2020.
zie ook Patijn, De Kanter.
Patijn, Jacob Adriaan Nicolaas (Rotterdam, 1873 – Den Haag, 1961)
Lid van de Japansche Commissie, 1917.
Zoon van Jacob Gerard Patijn, jurist en politicus, en Adriana Jacoba Clasina Veeren. Na het gymnasium in Den Haag studeerde hij rechten in Leiden waar hij promoveerde op de “Zondagswetgeving” (1897).
1898-1899 was hij juridisch adviseur op de ambassade van Siam te Parijs en tot 1902 in dat land zelf. Op de terugreis bezocht Patijn o.a. Japan.
In 1903 huwde hij jonkvrouw Rudolphine van Doorn, dochter van voormalig burgemeester Willem Th.C. van Doorn. Deze was tevens, samen met Jacob’s oudere broer Rudolf, liberaal lid van de Tweede Kamer. Jacob was tot 1908 chef op de gemeentesecretarie van Den Haag. Na het overlijden van Rudolphine hertrouwde Patijn (1924) met haar nicht, jkvr. Elisabeth W.M. de Brauw.
In zijn ambtelijke loopbaan was de regenteske Patijn burgemeester van Leeuwarden (1911-1918) en van Den Haag (1918-1930) waar hij na ernstige conflicten vrijwillig vertrok.
Patijn was lid van het Centraal Nederlands Comité Ramp Japan 1923.
Van 1931 tot ’36 was hij, een bewonderaar van Mussolini, gezant in Italië, vervolgens tot ’39 als partijloze liberaal Minister van Buitenlandse Zaken in het vierde kabinet-Colijn. Pers en publiek uitten felle kritiek toen hij in 1938 de Italiaanse verovering van Ethiopië de facto erkende. Voor het nationaal-socialisme voelde hij afkeer maar steunde wel de politiek om de toelating van Joodse vluchtelingen te beperken.
1939 zag het einde van het kabinet Colijn-5 en van de loopbaan van Patijn.
Op een bepaald moment was hij op het consulaat-generaal in Z.-Afrika “medewerker van H. Muller” met wie hij bevriend was (Van der Meulen, p.230,262).
Patijn was Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, grootofficier in de Huisorde van Oranje, droeg het groot-kruis van de orde van de Kroon van Italië, etc.. En had grote belangstelling voor muziek.
Over Patijn: E. van Raalte in De Gids, jrg. 125 (1962), p.148: “Hij was op en top heer, was voorts onder andere een man van grote cultuur, maar niet bepaald uit het hout voor minister van Buitenlandse Zaken gesneden.”
Publikaties
In het Sociaal Weekblad, enz.; en enkele beschrijvingen van reizen in Siam.
Bronnen
- http://resources.huygens.knaw.nl/bwn/BWN/lemmata/bwn3/patijn
- https://www.parlement.com/id/vg09lljev8xg/j_a_n_patijn
- Dik van der Meulen, Dr. Hendrik Muller. Wereldreiziger voor het vaderland (1859-1941), A’dam: Querido’s Uitg., 2020:382: Patijn op foto met Muller, 1938).
- Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.1135.
Roeper Bosch, Pieter Antonie (Amsterdam, 1889 – Den Haag, 1936
Secretaris van de Japansche Commissie, 1918
Verbleef van 1909-1914 in Japan en leerde enigszins de taal. In aug. 1916 schreef hij een artikel in De Gids waarin hij stelde dat Japan levensbelangen heeft in China, in Indië echter alleen handelsbelangen. Dit herhaalde hij in de lezing “De verdediging van Indië en het Japansche gevaar” het volgende jaar: “Expansie in China is daarom te verontschuldigen” (p.7), sterker nog “zo (kunnen wij) zijn aandacht afleiden van ons koloniaal gebied.” (p.20-21). Een aanval is niet te verwachten tenzij “de jonge heethoofden het heft in handen krijgen” (p.8). Omdat “men Japan eigenlijk bitter weinig begrijpt” bepleit hij tenslotte een Nederlands persbureau in Japan op te zetten t.b.v. wederkerige toenadering. Die toenadering wordt een doelstelling van de Japansche Commissie. Al deze punten herhaalde hij op 25 april 1918 in een lezing voor de Vereeniging “Moederland en Koloniën” waarin hij probeerde wederzijdse vooroordelen te verklaren en te ontkrachten.
Na een bezoek van Roeper Bosch en de secretaris van een Japans Nederlands-Indische club in Tokio aan de Minister van Koloniën in Den Haag wordt op 6 november 1919 in Batavia een Japansch Nederlands-Indische Vereniging opgericht (de JNIV) met doelstellingen als van de JC.
Hij promoveerde juli 1920 aan de Nederlandsche Handelshoogeschool te Rotterdam met het proefschrift Japan in den oorlog, een studie van de economische vooruitgang van Japan tijdens WO I. Hierin noemt hij het rapport-Van Kol dat Japan’s industriële ontwikkeling “ten voorbeeld wil stellen aan Indië”. Hij beschrijft de relatie tussen de Japanse regering en enkele firma’s, en hun expansie-politiek in China (Stelling XIII in het proefschrift: “Japan is de eenige vreemde Mogendheid, die in China levensbelangen heeft.”). En hoe “de Japanners zowel physiek als psychisch sommige vakkundige eigenschappen missen.” Verder dat “de Japanse concurrentie niet ernstig is te noemen, vooropgesteld dat wij spoedig tot normale omstandigheden terugkeren.”
Hij trouwde in 1914 Agneta H.J. Rens van wie hij in 1932 scheidde. Ze kregen een zoon en twee dochters. Later huwde hij de juriste C. Versteeg. Zoon Johan Willem Yoshitaro werd in okt. 1941 als vliegenier bij de RAF neergeschoten en rust in het familiegraf bij zijn (gescheiden) ouders in Oud Eik en Duinen in Den Haag.
Roeper Bosch was President-Commissaris van de Nederlandsche Fabriek voor Verpakkings-artikelen “Nefaver” te Schiedam. En was ook lid van het Centraal Nederland Comité Ramp Japan 1923.
Publicaties
- De verhouding tusschen Japan en Nederlandsch-Indië, Den Haag, 1918 (44 p.; uitgave nr. 3 van de Japansche Commissie).
Publicatie en bron
- P.A. Roeper Bosch, Japan in den oorlog – Proefschrift, Nederlandsche Handelshoogeschool te Rotterdam (…), 2-7-1920, Tilburg enz., 1920 (190 p.; uitgave nr. 6 van de Japansche Commissie). http://aircrewremembered.com/1941-10-21-loss-of-johan-roeper-bosch.html accessed 2-9-’21.
Visser, Marinus Willem de (Stavenisse, Zeeland, 23-10-1875 ~ Leiden, 7-10-1930)
Lid Japansche Commissie, 1918.
Zoon van Jacobus de Visser, geneesheer te Stavenisse, en van Wilhelmina Constance Was. Na onderwijs o.a. in Breda begon hij 1893 te Leiden de studie klassieke filologie, en Chinees (onder G. Schlegel, en J.J.M. De Groot). 1900 promoveerde hij met een proefschrift over de Griekse goden. Ook maakte hij studie van ethnologie in Londen, Parijs en Berlijn.
28-4-1904 was hij leerling-tolk op de Nederlandse legatie in Tokio; later werd hij 2e secretaris-tolk (Staatsalmanak 1905-1906).
1909 was hij terug in Nederland en werd conservator Oost-Azië in het Rijks Ethnografisch Museum te Leiden (1910), tot zijn benoeming als professor Japans op de Leidse universiteit (mei 1917). Ook later was De Visser adviseur van het museum. 1918 werd hij lid van de KNAW.
De Visser was lid van het Centraal Ned. Comité Ramp Japan 1923.
In 1928 trouwde hij met Catharina J. Hozee die daardoor haar baan na eenentwintig jaar bij het R.E.M. moest beëindigen. Zij kreeg “eervol ontslag”.
“A very kind and gentle man; he gave help and advice to H.H. van Kol and S. van Praag.” “In 1928 De Visser, whose health had always been delicate, began to suffer from depression and insomnia, and on Oct. 7, 1930, he cast off mortal coil.” (Vos p.371, 372)
Onder de talrijke aanwezigen bij zijn begrafenis op ‘Rhijnhof’ (toen nog gemeente Oegst-geest) waren o.a. de oud-studenten de Sinoloog prof. J.J.L. Duyvendak, de Japanoloog prof. J.L. Pierson en conservator van het R.E.M. dr. C.C. Krieger; verder prof. J. Rahder, die hem zou opvolgen, en prof. J. Huizinga.
Publicaties
- “The Tengu” en “The fox and the badger in Japanese folklore”, 1908 (gepubliceerd in de Transactions of the Asiatic Society of Japan).
- “The dragon in China and Japan”, Amsterdam, 1913; in 1969 (Wiesbaden) en 2008 opnieuw uitgegeven, in 2008 met commentaar.
- Boeddha’s leer in het Verre Oosten, Amsterdam, 1930; enz.
Bronnen
- Rijks Ethnografisch Museum te Leiden – Verslag van den directeur over 1/10/1916~ 30/9/1917, p.3,6 & 1925, p.3, 1928, p.1, 1929, p.1.
- https://brill.com › journals › tpao › article-p451_27 : Necrologie door Duyvendak in T’oung Pao, 1930 (‘Though he had been suffering for a long time, no one had expected the end.’)
- Vos, F. “Japanese studies until 1940”, in: W. Otterspeer (ed.), Leiden Oriental Connections, 1850-1940, Brill, 1989.