Japan
De eerste Nederlands-Japanse vriendschapsverenigingen 1912-1936
Begin 19e eeuw waren Japan en Nederland in Azië buren van elkaar, want Indië stond nog onder Nederlands gezag. Maar de betrekkingen waren niet meer zo bijzonder als toen de Nederlanders van 1641 tot 1854 de enige Europeanen waren in Japan, gehuisvest op het eilandje Deshima in de haven van Nagasaki. En de betrekkingen waren ook niet hartelijk, al had de staatsman graaf Shigenobu Ōkuma [zie biografie onder] al in dec. 1912 een Nichiran Kyōkai (Japans-Nederlandse Vereniging) in Tokio helpen oprichten. Doel was zowel het bevorderen van de vriendschap tussen de twee landen als van de handel tussen Japan en Nederlands-Indië. Deze vereniging was slechts een paar jaar actief.
In Nederland besloot in 1917 het bestuur van De Vereeniging tot Verbreiding van Kennis over Nederland in den Vreemde tot de instelling van een Japansche Commissie met als doel verbetering van die betrekkingen, met steun van de Ministers van Buitenlandse Zaken en van Koloniën en van de Japanse gezant. De Commissie gaf culturele en economische brochures uit in de serie “Japan in den Oorlog” (Japan was een bondgenoot van Engeland en Frankrijk; Nederland was echter neutraal) en hield lezingen. In de eerste brochure (Zij en wij, 1918) sprak de penningmeester H.P.N. Muller de hoop uit dat “kolonie en keizerrijk dikke vrienden zouden worden”.
Onder de leden van de Commissie, allen heren van stand, waren twee professoren, een socialist en enkele liberalen; zeker zes van hen hadden over Japan gepubliceerd of het land bezocht, en ook zes hadden enige band met Indië. We weten min of meer wie ze waren maar niet hoe de Commissie werkte. Er zijn geen notulen van vergaderingen of programma’s, enkel enige publicaties.
In 1920 steunde de Commissie de oprichting van een nieuwe vereniging in Tokio, de Nichiran Tsūkō Chōsakai. Het volgende jaar ontving zij van kroonprins Hirohito bij zijn bezoek aan Nederland een som gelds om onvermogende Japanse studenten alhier te ondersteunen.
In 1928 veranderde de Commissie haar naam in de Stichting Nederlandsch-Japansche Vereeniging, mogelijk uit behoefte los te komen van de V.V.K.N.V. en om meer leden te werven. Maar deze Stichting ging aan inactiviteit ten onder en in 1936 gingen er stemmen op uit het bedrijfsleven om een nieuwe NJV op te richten.
Ook was er een Nederlandsch-Indische Japansche Vereeniging te Tokio die in 1919 een telegram zond aan de Japansch Nederlandsch-Indische Vereeniging bij haar oprichting te Batavia.