Japan

Biografieën van bestuursleden 1937-1942

Naast gegeven titels is de hoofdbron de kranten-database Delpher.

Berg, Jhr. Arnold A.D. (Hilversum, 1895 - Wassenaar, 1975)
Bestuurslid van de NJV1, 1939-1941

Zoon van Jhr. Mr. Ernst W. Berg van Dussen Muilkerk en Middelburgh, bankier, tevens secretaris van de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten, en Arnoldine A. Lenting. Arnold bezocht de lagere school te Hilversum, het Stedelijk Gymnasium te Utrecht en het Gym. te Hilversum. In 1914 deed hij eindexamen en ging in Leiden rechten studeren. In 1916 deed hij dienst als reserve-luitenant der Veld Artillerie, behaalde in 1917 zijn candidaats, in 1920 zijn doctoraal en promoveerde. Daarop werkte hij bij de Holland-Amerika lijn te Rotterdam.

Hij huwde in 1923 Jkvr. Adrienne L.W. van Kretschmar v. Veen, dochter van Jhr. J.A. van Kretschmar v. Veen, o.a. voorzitter van de Raad van Commissarissen van de Nederlandsche Spoorwegen en directeur van de Deli Spoorweg Mij. in Indië.

Berg was in 1926 vertegenwoordiger van de Holland-Britsch Indië Lijn te Calcutta. Vanaf 1930 directeur van die Lijn te Rotterdam, en van de Holland-Australië Lijn; en het volgende jaar van de Holland-Oost Azië Lijn. Uiteindelijk werd hij directeur van de Vereenigde Nederlandsche Scheepvaart Mij. (een samenwerkingsverband van allerlei lijnen waaronder ook de Java-China-Japan Lijn, die alle vooral actief waren in het maritiem goederen- en passagiersvervoer), en van de Koninklijke Hollandsche Lloyd die vooral op Zuid-Amerika voer. Ook was Berg directeur van Wm. H. Müller & Co. die in 1936 de K.H. Lloyd overnam.

Berg bereisde Amerika, China, Japan, de Philippijnen, Java, enz. Tot 1938 was hij reserve-kapitein bij de veldartillerie.

Bronnen
  • Nederland’s adelsboek, deel A~C, 1973.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.116.
Calkoen, Jhr Willem Hendrik (Roermond, 1901 – Den Haag, 1968)
Secretaris van de NJV1, 1938-1941; erelid NJV2, 1958~1967

Zijn vader was rijksbetaalmeester te Roermond (een functie die later door de Postcheque- en girodienst werd overgenomen). Willem Hendrik huwde april 1945 Johanna C.A. Cremers; ze kregen twee dochters.

Hij was directeur van de kleine maar deftige firma Landry & Van Till, bankiers te Den Haag, directeur van de NV Administratiekantoor H. Wins (na de oorlog door Landry & Van Till overgenomen) en procuratiehouder van de Nederlandsch-Indische Handelsbank (de bank hief  haar kantoor in Japan op toen dat land eind 1931 de gouden standaard verliet. Later in de jaren-30 gaf zij voorwaardelijke steun aan het plan van Ch.J.I.M. Welter om Nieuw-Guinea te ontwikkelen als antwoord op de Japanse expansie). Het secretariaat van de NJV1 was tot 1941 gehuisvest bij de bank te Den Haag.

Calkoen was voor en na de oorlog directeur-buitenland van de Algemeene Nederlandsche Vereeniging voor Vreemdelingenverkeer, cq de Algemene Nederlandse Vereniging voor Vreemdelingenverkeer. In 1960 won hij een gouden medaille bij een wedstrijd uitgeschreven door de Académie Internationale du Tourisme te Monte Carlo. Het volgende jaar ging hij eervol met pensioen. Ook zat hij in het bestuur van de vereniging Nederland in den Vreemde (1951 en ’55 herkozen); namens de A.N.V.V. en deze laatste vereniging woonde hij de begrafenis van zijn voorganger P.J. de Kanter bij (mei 1953).

Net als zijn vader en oudste broer was hij ereridder van de Johanniter Orde (de Nederlandse protestantse evenknie van de Maltezer Orde die zich het lot van de hulpbehoevende medemens aantrekt. Als een lid 25 jaar is geworden kan hij ereridder worden).

Bron
  • A. Taselaar, De Nederlandse koloniale lobby – Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940, Leiden: CNWS, 1998.
  • Nederland’s adelsboek, jrg. 81, 1990-1991, p.26.
Engelbrecht, Willem Anton (Cheribon, Java, 1874 - Rotterdam, 1965) Vice-voorzitter van de NJV1, 1938?-1941; v.a. 1958 lid NJV2

Zoon van Eduard Alexander, resident van Bantam, en van Justine Louise Godefroy. Na de lagere school op Java en de middelbare school te Den Haag volgde hij de Koninklijke Militaire Academie te Breda (1890) en werd 2e luitenant der Infanterie bij het KNIL (1894). 1896-1897 vocht hij in Atjeh en werd beloond met de Militaire Willemsorde, maar moest 1897 wegens gezondheidsredenen repatriëren. Hij verliet de dienst  als le luitenant. In 1914 was hij nog reserve-kapitein.

Eén van zijn tantes van vaderskant was gehuwd met de vooraanstaande Rotterdamse ondernemer Antoine Plate, mede-oprichter van de Holland-Amerika Lijn en lid van de cargadoorsfirma Wambersie & Zoon. Plate was ook enkele jaren lid van de Tweede Kamer. Hij kon wel enige hulp gebruiken en zo werd Willem Anton in 1898 volontair bij Wambersie, waar een bliksem-carrière hem naar de top voerde: firmant in 1904.

In 1903 huwde hij de burgemeestersdochter Elisabeth Margaretha Lycklama à Nyeholt. Ze kregen drie zonen. Onder zijn leiding organiseerden de werkgevers in de haven zich op 20 september 1907, nog midden in de strijd met de werknemers, in de Scheepvaartvereeniging Zuid. Doel was: het bevorderen van regelingen in het havenbedrijf te Rotterdam, alsmede het voorkomen van geschillen tussen werkgevers en werknemers. 1907-1909 en 1911-1913 was hij voorzitter. Na een bemiddelende rol van zijn oom Plate, voorzitter van de Kamer van Koophandel, sloot Engelbrecht de eerste CAO in Nederland (1908).

In 1910 was er een conflict tussen Rotterdam en Amsterdam binnen de Nederlandsche Handels maatschappij (NHM) over de import van koffie. Engelbrecht ontmoette toen een paar maal Anton Kröller (de man van de kunstverzamelaarster Helene Kröller-Müller). Ze waren beide vertegenwoordigers van Duitse rederijen die een rol speelden in het conflict. 

Engelbrecht was ook lid van de Staatscommissie over de Werkloosheid en speelde een belangrijke rol bij de oprichting van de Handels-Hoogeschool te Rotterdam (1913) en van het Nederlandsch Economisch Instituut (1929). 1930 tot 1938 was hij lid van het hoofdbestuur van de Kon. Nederlandse Vereniging “Onze Vloot”, een maritieme belangenvereniging, en in 1930 ondervoorzitter, daarna tot 1938 voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Rotterdam.

Tijdens de bezetting werd hij in 1941 lid van de Subcommissie van Curatoren van de Hoogeschool, samen met zijn neef Karel Paul van der Mandele, directeur van de Rotterdamsche Bank, tevens voorzitter van de Kamer van Koophandel en Fabrieken. In deze Subcommissie zat ook de NSB-burgemeester Müller. Eind 1943 besloten rector en curatoren het onderwijs op de Hoogeschool stil te leggen omdat de meeste hoogleraren in dat bezettingsjaar ‘ziek’ waren. 

Engelbrecht bouwde een fraaie (kaarten)bibliotheek op, met zeventien fraaie scheepsmodellen; een groot deel is later in bruikleen gegeven aan het Maritiem Museum Prins Hendrik te Rotterdam. Er staan verschillende publikaties op zijn naam. In 1908 werd hij lid van de Linschoten-Vereeniging, en 1938-1941 voorzitter. Vanaf 1923 was hij lid van de Commissie van Toezicht (C.v.T.) van het Museum voor Land- en Volkenkunde te Rotterdam (Jaarverslagen 1951~1957/1958, M.v.L.V.). In 1954, 80 jaar oud, werd hij Doctor honoris  causa aan de Nederlandsche Economische Hoogeschool te Rotterdam (Jaarverslag 1954, p.1). Toen hij in 1958 bedankte, na 35 jaar, voor herbenoeming als lid van de C.v.T. van het Museum benoemde het gemeentebestuur hem tot Erelid van deze commissie.

Engelbrecht was o.a. Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw en commandeur in de Orde van de Kroon van België.

Publikaties
  • Schets van de geschiedenis der Nederlandsche cartografie (…), rede, uitgesproken op het Internationaal Aardrijkskundig Congres, Amsterdam, (…) 1938.
  • Schets der historische betrekkingen Portugal-Nederland, ‘s Gravenhage, 1940.
  • met P.J. van Herwerden, De ontdekkingsreis van Jacob le Maire en Willem Cornelisz. Schouten in de jaren 1615-1617 (Werken van de Linschoten-Vereeniging), ‘s-Gravenhage, 1945, 2 dln. (en nog twee historische werken)
Bronnen
  • J. van Beylen e.a. (red.), Maritieme Encyclopedie, dl.II, Bussum, 1970, p.235-236.
  • Dekker, Ariëtte, Leven op krediet. Anton Kröller-Müller 1862-1941, Amsterdam, 2015. 
  • Leeman, Merel, De Keien. Rotterdamse studenten tussen handel en verzet, 1940-1945, Amsterdam, 2023.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.437-38.
  • Nederland’s Patriciaat, 46, 1960, p. 94-100: Engelbrecht, en N.P., 50, 1964, p.293-294: Van der Mandele.
  • http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/engelbrecht 
Faille, Tjalling Petrus Baart de la (Leeuwarden, 1878 - febr. 1956) Vice-voorz. van de NJV1, 1937-1938.

Zoon van medisch dr. Jacob (geb. te Leeuwarden, 1839) en G.S. Tresling, lijkt hijzelf nooit getrouwd te zijn geweest. Zijn oudere zuster Maria was getrouwd (1903) met Frans A. Liefrinck, directeur Financiën te Batavia.

1919 was Baart de la Faille beheerder, later (1922 – eind 1938) directeur van de Internationale Crediet en Handelsvereeniging “Rotterdam” (Internatio) te Batavia. Internatio had in de jaren-30 zeventien  vestigingen in het Verre Oosten en richtte zich o.a. op landbouwprodukten als rubber, koffie, thee, tabak. In 1925 volgt hij Van Walree op in het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging voor Hooger Handelsonderwijs. Dec. 1930 is Baart de la Faille bestuurslid van het nieuw opgerichte Genootschap ‘Nederland-Siam’. Mrt. 1931 wordt hij commissaris van de Rotterdamsche Hypotheekbank. 1932 verblijft hij enige maanden in Ned.-Indië. 1933-1935 stellen de bedrijven Internatio, Lindeteves en Geo Wehry in onderhandelingen met Japanse bedrijven de eis dat Nederlandse handelshuizen 90% van de Japanse export naar Ned.-Indië moeten verzorgen. Maar in 1936 komt er als akkoord uit de bus: Japan neemt ruim 64% van haar export naar Java voor haar rekening en 60% van de vracht van Java naar Japan. Later in de jaren-30 gaf Internatio voorwaardelijke steun aan het plan van Ch.J.I.M. Welter om Nieuw-Guinea te ontwikkelen als antwoord op de Japanse expansie (zie: Calkoen).

Febr. 1936 stuurt hij een verslag van zijn reis van vier weken door Japan aan J.W. Meyer Ranneft, met een memorandum van E.D. van Walree (zie Meyer Ranneft en Van Walree). De la Faille geeft een zakelijk overzicht van politiek en economie van dat land met enige indrukken in zijn verslag: “Ik sta versteld van de vooruitgang van het hele bedrijfsleven de laatste tien jaar.” “Tokyo is na de aardbeving een mooie, ruime, moderne stad, met een goed en goedkoop transport.”  In december geeft hij een lezing “Japan bestudeert de wereldkaart”; dit doet Japan op zoek naar afzetgebied nu steeds meer landen haar producten weren. Spreker meldt gedurende zijn bezoek in stad en land zeer voorkomend te zijn ontvangen. De Japanse vrees voor bedrijfsspionage van tien jaar terug was geheel verdwenen. De productie is zeer groot, de lonen zijn laag, de arbeidsreserve is onuitputtelijk. In de kraampjes op straat in Tokio ziet men wat de huisindustrie voortbrengt: veel mechanisch speelgoed, natuurlijk ook miniatuur-oorlogstuig.

1937-’39 zit Baart de la Faille in het bestuur van de Ondernemersraad voor Ned.-Indië (zie: Welter). Eind april 1940 was hij vice-voorzitter van het comité dat de viering van ‘600 jaar Rotterdam’ zou voorbereiden. Maar in mei gingen de voorbereidingen in rook op. Hij bleef wel tijdens de bezetting verschillende commissariaten waarnemen.

Vanaf maart 1946 blijven hij en W. Broese van Groenou als commissarissen van Internatio de aandeelhoudersvergaderingen uitschrijven. Broese van Groenou is telg van een rijke Indische plantersfamilie waar ook de tweede echtgenote van A.A. Pauw uit voortkwam (zie: Pauw): Gertrude Broese van Groenou  die eerst (1917) te Kobe, Japan, met H. Potjer, procuratie-houder van Internatio, in de echt was verbonden.

Begin 1947 verdedigt Baart de la Faille in een lange brief aan ene ‘E.’ het akkoord van Linggadjati tussen Nederland en de Indonesische Republiek: “Soekarno is in de ogen van zijn landgenoten heel anders dan in de onze. Een gewapend conflict is internationaal onaanvaardbaar.” En hij laakt “de reactionaire houding van Min. Welter.”

Jan. 1940 was hij lid geworden van de Commissie van Toezicht, Museum voor Land- en Volkenkunde, Rotterdam. Dit blijft hij tot hij in 1956, op vakantie in Zwitserland, overlijdt. Hij  wordt begraven in Ouddorp, Z.-H. (Jaarverslag MvLV, 1956, p.1).

bronnen

Gelderen, Jacob (Bob) van (Amsterdam, 1891- Den Haag, 14-5-1940)
Bestuurslid van de NJV1, 1937-1940[?]

Een socialist (en tot ca 1928 marxist) uit de Joodse middenstand (zijn vader was winkelier), was hij 1911-1920 klerk op het Bureau voor Statistiek van de gemeente  Amsterdam.

Op 14 juli 1915 trad hij in het huwelijk met Alexandrina de Vries. Ze kregen een dochter en twee zonen.

Eind 1919 vertrok hij naar Indië om voor het Ministerie van Landbouw, Nijverheid en Handel een nieuwe statistische dienst te organiseren. Van Gelderen werd actief lid van de Indische Sociaal-Democratische Partij. In 1925 werd hij eerste directeur op het Centraal Kantoor voor de Statistiek te Batavia, tot 1932, en in 1928 buitengewoon hoogleraar Staathuishoudkunde aan de Rechtshoogeschool te Batavia.  In 1933 kwam hij, terug in Nederland, op het Ministerie van Koloniën. Daar was hij hoofd van de tijdelijke afdeling voor crisiszaken van het Commissariaat voor Indische Zaken. In 1934, weer in Batavia, stond hij J.W. Meyer Ranneft bij tijdens de moeizame onderhandelingen over een  handelsverdrag met Japan (Post, 1991:245, 270; & zie: Meyer Ranneft). In zijn studie The recent development of economic foreign policy in the Netherlands East Indies (1939) noemt Van Gelderen de Japanse handelspolitiek “hyper-protectionist, gradually adopting the character of an organized aggression against foreign markets” (p.17). Door de import-regulering van de Indische regering zou vooral Japan zijn aandeel zien krimpen wat leidde tot de “extremely difficult negotiations” met dat land in 1934. Pas in 1936 kwam men tot een modus vivendi (p.24).

1935, terug in Nederland, was hij betrokken bij het Plan van de Arbeid van SDAP en het Nederlands Verbond van Vakverenigingen. “Hoewel dit plan zich sterk tegen de regeringspolitiek richtte, beschouwde Minister-president Colijn hem wel als een van onze bekwaamste economen” (Drees 1963:117-118).

In 1936 zat hij in het commissie-overleg met (weer Min.-president) Colijn, minister Oud van Financiën e.a. ivm maatregelen na de devaluatie (de Bruijn 1994:283). Eind jaren-30 werd hij bijzonder hoogleraar Sociologie aan de Rijks Universiteit Utrecht, vertegenwoordigde Nederland op de Suikerconferentie te Londen en werd Tweede Kamer lid voor de SDAP, waarvan hij twee jaar later vice-voorzitter werd.

“Bij de capitulatie [1940] pleegden honderden zelfmoord; o.a. in Den Haag prof. Van Gelderen met zijn begaafde vrouw en twee kinderen, een verlies dat na de oorlog noodlottig heeft doorgewerkt, omdat niemand beter dan hij, die én de Nederlandse verhoudingen en politici én de Indonesische  nationalisten zo goed kende, een invloed ten goede had kunnen uitoefenen in de Indonesische  kwestie” ( Drees 1963:126).

Ook partijgenoot H. Polak herdenkt hem in zijn dagboek: “Vele van mijn beste vrienden: prof. Bonger, prof. (Bob) van Gelderen, dr. Boekman, enz. hebben een einde aan hun leven gemaakt.” (Bloemgarten 1996:633, 637).

publikaties

  • met J.L. Vleming, Theorie en praktijk van de Indische belastingen, 1923.
  • Indië, de sociaal-democratie en de onlusten op Java (16 p.), A’dam, 1926 (lezing voor partijgenoten, eindigt met de wens van “een samenleving waarin voor koloniale exploitatie geen plaats meer zal zijn.”)
  • The recent development of economic foreign policy in the Netherlands East Indies, London, enz., 1939 (op pp.80-81 bepleit hij ook de economische en politieke rechten van de Indonesiërs)

bronnen

  • Bloemgarten, S., Henri Polak – sociaal-democraat, 1868-1943, Den Haag, 1996.
  • de Bruijn, J., e.a. (red.)/ “Colijn – Bouwstenen voor een biografie, Kampen, 1994.
  • Drees, W., Zestig jaar levenservaring, A’dam, 1963.
  • Post, Peter, Japanse bedrijvigheid in Indonesië, 1868-1942 (proefschrift, V.U.) Amsterdam, 1991.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.514.
  • https://socialhistory.org/bwsa/biografie/gelderen

Over Van Gelderen:

“zeer intelligent” (Heldring in: Vries, Joh. de [red.], Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954), 3 dln., Utrecht, 1970:1100 ff.; p.1144; over  Heldring zie Krieger [1944], en Van Walree, passim). En: “een voortreffelijk mens” (Goes van Naters, M. van der, Met en tegen de tijd (…), 1980, p.138). En “de briljante, sociaal-democratische  statisticus en econoom J. van Gelderen” (Berge, T. van den, H.J. van Mook, 1894-1965. Een vrij en gelukkig Indonesië. Biografie, Bussum, 2014:114).

Kat Angelino, Arnold D.A. de (Deil, Gelderland, 1891- Den Haag, 1969)
Bestuurslid van de NJV1, 1940.

Zoon van een predikant, ging na het gymnasium rechten, Indologie en Sinologie studeren te Leiden en Berlijn (1911-1914). Hij trouwde de Berlijnse Luise Knieper in 1914 en vertrok nog datzelfde jaar naar China, naar het consulaat te Amoy. In 1917 was hij ambtenaar te Batavia, tot 1920 op het Bureau voor Chinese Zaken. 1921-’22 was hij adviseur bij de Nederlandse delegatie op de ontwapeningsconferentie te Washington en schreef de Minister van Koloniën over de sterke positie van Japan “als oriëntatiepunt van Azië’s opkomend nationalisme tegenover de koloniale regimes.” Minister van Buitenlandse Zaken Van Karnebeek vroeg de gezant in Tokio, Pabst, in een brief om aandacht voor de visie van De Kat (Stolk p.44). 1922 neemt De Kat in Genève deel aan de Volkenbondscommissie die de bestrijding van de opiumhandel bespreekt. En hij bezoekt weer Peking.

1926-1927 zijn er ‘communistische’ opstanden in Indië, waarna de buitenlandse pers kritiek uit op de Nederlandse politiek. Juni ’27 stelt minister Koningsberger de gouverneur-generaal De Graeff voor De Kat een boek te laten schrijven over het Nederlands koloniaal beleid als reactie op alle kritiek. De Kat weigert daarom een leerstoel Chinees in Utrecht.

In 1929 en 1930 is zijn boek klaar, Staatkundig beleid en bestuurszorg in Nederlandsch-Indië, dat al snel een Engelse en Franse vertaling krijgt. Ook in Japan is er  belangstelling. Het boek was een succes in Nederland omdat het, in de woorden van de schrijver, “een zeer stevige basis geeft aan alle vrienden van orde en gezag”. De Rotterdamse handelshogeschool verleende hem een eredoctoraat. Maar het werk kreeg ook kritiek waar De Kat zich tot in 1961 tegen verdedigde.

Zijn boek keerde zich tegen Spengler’s pessimisme: “de geest van het westen moet de ziel van het oosten tot zelfvernieuwing brengen.” Wel was hij tegen eenzijdig westers onderwijs, en pleitte voor meer internationale samenwerking tussen de koloniale machten, waarbij “‘Groot-Nederland’ een voorbeeld voor de mensheid kon zijn” (Taselaar 1992:264-284).

1931 wordt hij lid van de conservatieve maar als lobby niet sterke Vereniging Indië-Nederland, tesamen met o.a. Ch.J.I.M. Welter, zijn vriend Meyer Ranneft en H. Westra, alle drie later medebestuursleden van de NJV1 (Taselaar 1998:330).

1931-’32 werkt hij bij de onderzoekscommissie-Lytton voor de Volkenbond in verband met de Japanse inval in Mandsjoerije. Hij schreef grotendeels het voor Japan vernietigende rapport. Het volgende jaar zit De Kat alweer op de algemene Secretarie te Buitenzorg, Indië, en adviseert over de politiek tegenover het Indonesisch nationalisme. In 1935 wordt hij directeur Onderwijs en Eredienst en gaat in 1937 met pensioen. Het jaar daarvoor werd hij nog benoemd toe ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

1942 wordt hij lid van de KNAW, en in 1945 is hij Nederlands gedelegeerde bij Far Eastern Commission te Washington “om de Nederlandse aanspraken op vergoeding van de door Japan veroorzaakte oorlogsschade te onderzoeken” (Taselaar 1992:268). Verder spant hij zich in om, na 1946, de zakelijke belangen van Nederland in Indonesië veilig te stellen door ook Engelse en Amerikaanse investeringen aan te trekken. Vanaf 1948 besteedt hij zijn tijd vooral aan studie van de geschiedenis van Nederlands-Indië van 1900-1942 (Taselaar 1992).

publikaties

  • Staatkundig beleid en bestuurszorg in Nederlandsch-Indië, 2 dln., Den Haag, 1929-’30 (E.D. van Walree, Azië en wij, 1930:52: “een voortreffelijk werk.” Taselaar, 1998:329: “propagandawerk”).
  • “Japan’s imperialisme en zijn expansie” (met H. Mouw), in: A.C.D. de Graeff e.a. (red.), Van vriend tot vijand: de betrekkingen tusschen Nederlandsch-Indië en Japan, Amsterdam [etc.], 1945:69-199.

bronnen 

Over De Kat: “1939, De Kat misschien Minister van Onderwijs?” (Ernst Heldring, 1970, p.1376-77); “hij is niet te sterk ethisch” (p.1487; zie ook p.1750).

“1946, Als De Kat toetreedt tot de commissie-generaal, komt niemand meer aan het woord” (W. Schermerhorn, voorzitter der commissie-generaal voor Nederlands-Indië, in Het dagboek van Schermerhorn: geheim verslag (…), 1970, p.407).

Krieger, Carel Coenraad (Den Haag, 1884 - Den Haag, 1970)
Bestuurslid van de NJV1, 1938?- 1940.

Zoon van Anthonij Hendrik, een ambtenaar die een telegrafie-opleiding had gevolgd, en Johanna E. Krieger-Susan, begon hij al vroeg zijn carrière bij de marine. In 1907 was hij adjunct-administrateur op een pantserdekschip.

Terwijl hij diende als marine-officier (1903-’27) studeerde Krieger Japans onder De Visser (zie ook: Van der Poel) en Chinees onder J.J.L. Duyvendak (1918-1923). Hij trouwde okt. 1917 te Den Haag met Anna J.M. van Vleuten.

1 nov. 1927 volgde zijn benoeming tot conservator voor China & Japan van het Rijks Ethnographisch Museum te Leiden in welke hoedanigheid hij in 1930 prins Takamatsu, de tweede broer van de keizer, mag ontvangen. In 1935 (’36?) werd hij lector Japanse taal en literatuur op de Universiteit Utrecht. Tot 1943 zal hij daar colleges geven (Verslag 1937, p.2, 1938, p.2, enz.).

1936 doet Krieger doctoraal examen Japanse en Chinese taal en letteren en is medewerker bij de Winkler Prins Encyclopaedie (Verslag 1936, p.1, 5). Wat later is hij mede-oprichter van de Vereeniging voor Japansche Grafiek en Kleinkunst (Bulletin van 1938). Krieger heeft dan een internationale reputatie als kenner van Japanse houtblok-drukken. 1938-1952 is hij penningmeester van het Oosters Genootschap te Leiden, een wetenschappelijke organisatie die internationale congressen houdt.

11-7-1940 promoveert Krieger te Leiden op de dissertatie The infiltration of European civilization in Japan during the 18th century bij prof. Rahder, die naderhand in de periodiek T’oung Pao 36, 1942, een kritische bespreking geeft: ‘many omissions and mistakes’ (Vos 1989).

Nederland is dan al bezet door de Duitsers. Veel Indonesische studenten kwamen toen vrij snel in financiële problemen omdat alle contact met thuisland Indië werd verbroken. Ze kregen in Leiden financiële e.a. steun, waarbij later ook Krieger, secretaris der Vereeniging Oost en West, zich verdienstelijk maakte (Idenburg p.280, 285; Otterspeer 2019 p.94; Poeze p.318). De Vereeniging Oost en West was in 1899 opgericht om de band met de koloniën te versterken, o.a. door steun te bieden aan studenten. Bij E. Heldring, President-directeur van de Nederlandsche Handels Mij., klopte Krieger in 1944 vergeefs aan: “Wij kunnen u [in dit verband] niet helpen.” Er kwam wel hulp van de Leidse burgerij (Idenburg p.286-287).

De Indonesische studenten gingen een actieve rol in het verzet spelen (Idenburg p.279).

Jan. 1941 geeft Krieger een lezing over Japanse lak- en schilderkunst; en levert Japanse  vertalingen o.a. voor de Joodse Raad te Amsterdam (Verslag 1941 p.6). Nov. 1942 volgt een lezing over Nederlands rol bij de openstelling van Japan voor de Europese cultuur.

Na de bevrijding maakt Krieger nog in 1945 een reis van drie weken door Zwitserland (Zürich, Basel). In Leiden werkt hij met hulp van W.Z. Mulder aan een catalogus van Japanse houtsneden, en publiceert in 1946 een gidsje Grafiek en kleinkunst van Oost-Azië (Verslag 1946). En verschaft informatie aan het publiek, o.a. aan de revolutionaire dichter en schrijver Jef Last (over Chinees toneel; Verslag 1944-1945, p.14).

Dec. 1949 krijgt hij met het bereiken van de 65-jarige leeftijd eervol ontslag van het museum (Verslag, 1949, p.1). Sept. 1947 was hij echter al benoemd tot ‘Bijzonder hoogleraar in de Kunstgeschiedenis van het Verre Oosten met inbegrip van de Japanse taal en letterkunde’ aan de Rijksuniversiteit Utrecht (Vereniging “Oud-Leiden”, Jaarboekje 1948, p.31; Verslag, 1947, p.10), een functie die hij tot 1955 zal vervullen. Febr. 1948 geeft hij zijn oratie: Het Zen-Buddhisme en zijn invloed op de geest van Japan, en gaat later dat jaar vier maanden met verlof voor een reis naar Japan waar hij onder andere met de diplomaat R. van Gulik de mogelijkheid onderzoekt tot herstel van oude Nederlandse graven in Nagasaki  (Verslag, 1948, p.12; 1949, p.11).

In mei 1957 maakte hij een reis naar Z.-Afrika en Japan, en sloot zich later dat jaar aan bij een initiatief tot wederoprichting van de Nederlands-Japanse Vereniging. Na onmin met enkele betrokkenen werd hij echter geen lid van deze vereniging (A. Krieger, p.11), die hem wel een bloemstuk voor zijn 80ste verjaardag zond (1964) en bij zijn overlijden zijn bijzondere verdienste vermeldde voor de heroprichting van de NJV (1970).

publikaties

  • “Ethnographische verzamelingen”, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland, 1934-1935, dl.27, p.99-100.
  • Artikelen in het Bulletin van de Vereeniging voor Japansche Grafiek en Kleinkunst, o.a. 1938: “Pioniers der Hollandsche schilderkunst in Japan”.

  • art. in Wereldgeschiedenis (…), dl.1, Utrecht, 1939 (Verslag, 1939, p.10) en bijdrage aan G. van der Leeuw (red.): Godsdiensten der Wereld , Amsterdam, 1940-1941: “Godsdienst van Japan”.
  • The infiltration of European civilization in Japan during the 18th century, Leiden: E.J. Brill, 1940.
  • bijdrage over Japanse mythologie aan A.G. v. Hamel, red., De tuin der goden, Utrecht, 1940-1947.
  • bijdragen aan Winkler Prins Encyclopaedie, dl.10, 1951:723: “Hokoesai”, en dl.11:481-487: “Japan – Geschiedenis”.

bronnen

  • Verslag: Rijks Ethnographisch Museum te Leiden/ Rijksmuseum voor Volkenkunde, Leiden, Verslag van den Directeur over het Jaar ….
  • Bulletin: ~ van de Vereeniging voor Japanse Grafiek en Kleinkunst, 1938-..
  • Idenburg, P.J., De Leidse Universiteit 1928-1946 – vernieuwing en verzet, ’s-Gravenhage, 1978.
  • Poeze, H.A., In het land van de overheerser, I. Indonesiërs in Nederland 1600-1950, Dordrecht, 1986.
  • Vos, F., “Mihatenu yume – an unfinished dream: Japanese studies until 1940”, in : W. Otterspeer, Leiden Oriental Connections, 1850-1940, Leiden: Brill, 1989, p.375.
  • Otterspeer, W., Het horzelnest – De Leidse universiteit in oorlogstijd, A’dam, 2019:319-320).
  • Krieger, A., Gegevens over de levensloop van Carel Coenraad Krieger (…), (getypt manuscript, zonder plaats of jaartal, thans in bezit van een nicht van C.C. Krieger).
  • foto (en opgave van bronnen die echter niet veel opleveren) in :   https://profs.library.uu.nl/index.php/profrec/getprofdata/1188/68/122/0
Leuftink, Teunis Lodewijk (Amsterdam, 1880 - Amsterdam, 1957)
Penningmeester van de NJV1, 1936 -1942

Bankier. Zoon van Arnold Georg, Duits banketbakker, en Louise Ch.S. Schäfer. Teunis Lodewijk deed na de HBS en Openbare Handelsschool in Amsterdam zijn boekhoud-examen in Rotterdam (1899), en was toen al een jaar eerder zijn carrière bij de Nederlandsch-Indische Handelsbank te Amsterdam begonnen. In 1916 trouwde hij de Engelse Marion C.A.A. Mitchell (1891-1992). Ze kregen vier kinderen.

In 1923 werd hij onderdirecteur van de N.I.H. te Batavia, twee jaar later te Amsterdam, en in 1935 directeur. W.H. Calkoen, later secretaris van de NJV1, was daar in die tijd procuratiehouder. In 1924 was Leuftink met anderen verantwoordelijk voor het beheer der overzeese kantoren. De N.I.H. had o.a. belangen in de suikerindustrie en maakte dat jaar een netto-winst van f 4.8 mln. In 1934 had het buiten Indië nog kantoren in o.a. Shanghai, Kobe en Tokio.

Leuftink combineerde meerdere commissariaten, bv. bij de Handelsmaatschappijen Aparak en Aromatica en de Handelsvereeniging O.-Indië, de jaren daarna bij Mij. de Fijnhouthandel en F. Korff en Co.’s Cacao- en Chocoladefabrieken. Hij bezocht Japan, China Brits-Indië en Amerika.

In de zomer van 1937 was hij een van de bestuursleden van de NJV1 die werden voorgesteld aan prins Chichibu, broer van de Japanse keizer, en die in 1938 een thee aanboden aan graaf Goto, burggraaf Mishima, baron Inada en andere leden van de Japanse missie bij de 34e Interparlementaire Conferentie te Den Haag.

Bij de aanval van de Duitsers op Nederland in 1940 werd het kantoorgebouw in Rotterdam geheel verwoest. Daarna had de N.I.H. geen contact meer met Nederlands-Indië. Leuftink kon echter met o.a. C.J. Baron Collot d’Escury, directeur der Nederlandse Handel Mij., en jonkheer H.L.A. van Kretschmar van Veen, directeur der Stoomvaart Mij. Nederland (en zwager van NJV1 bestuurslid Berg), nog in juni de Assurantie Mij. “Brandaris” oprichten. Als directeur van de N.H.I. moest hij in 1942 meewerken aan het ontslag van Joodse medewerkers maar de bank waarschuwde wel haar Joodse klanten hun kluisjes leeg te halen, tegen de orders van de ‘roofbank’ Liro in. NSB-leden klaagden over een vijandige sfeer bij de N.H.I. en andere banken. Leuftink werd datzelfde jaar door de bezetter met enkele collega’s gegijzeld. Dit duurde echter niet lang (Van Tielhof, p.20-22, 67-68, 142-143).

In 1946 werd zijn directeurschap van de N.I.H. weer verlengd. Sept. 1948 werd Leuftink benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

In 1950 zag de Java Cultuur Mij. zich gedwongen een beroep te doen op haar financier, de N.I.H. (die voortaan de Nationale Handelsbank heette) om de suikeroogsten van twee  ondernemingen te financieren. De directie van de J.C.M. zag de toekomst in het onafhankelijke Indonesië met vertrouwen tegemoet. Leuftink werd tot commissaris benoemd. Het volgende jaar trad hij af als directeur van de Nationale Handelsbank maar bleef wel adviseur. Daarna was hij nog een kleine twee jaar commissaris van de Amsterdamsche Rijtuig Mij. (autoverhuur). April 1957 overleed hij, 76 jaar oud.

bronnen

Meester, Titus de (Breda, 1886 - Baarn, 1967) 
bestuurslid van de NJV1, 1937 - 1941.

Zoon van Frederik Hendrik (1850-1941), hoofdinspecteur der posterijen P.T.T., en Catharina  P. Nagel (1863-1887). Zijn vader en Minister-president Th. de Meester (1905-1908) waren neven. Een oom van Titus was marine-officier en later directeur van de Stoomvaart Mij. Zeeland.

Titus volgde de Openbare Handelsschool te Amsterdam. Hij trouwde in 1913 te Kobe, Japan,  met Erna F.M. Hartmann (1883-1924), die hem drie kinderen schonk: Frederik (Hong Kong, 1915), Wilhelm (Soerabaja, 1918) en Clara Josy (Batavia, 1921). In 1927 hertrouwde hij te Utrecht met Annebetje (Anna) E. v. Dissel. Uit dit huwelijk werd een zoon Titus geboren (Weltevreden, Ned.-Indië, nov. 1927).

In 1920 was hij procuratiehouder van de Java-China-Japan Lijn te Soerabaja, vervolgens hoofdagent van eind 1927 tot 1 jan. ’33 te Batavia (Brugmans, p.160). In 1930 was hij lid van de Zeerecht-commissie die werkte aan aanpassingen van het nieuwe Nederlandse zeerecht aan de Indische situatie. Tevens zat hij in het bestuur van de Nederlandsch-Indische Vereeniging “Michiel Adriaensz. de Ruyter”, een vereniging die als doel had bij de Nederlands-Indische jeugd belangstelling te wekken voor het zeemansvak en waar nodig de zeeman te ondersteunen.

Begin 1929 opende de JCJL een rechtstreekse dienst op Saigon (Frans Indo-China), en in April kreeg De Meester op het Franse consulaat te Batavia de onderscheiding van Officier in de ‘Ordre du Dragon de l’Annam’.

Mei 1931 was hij vertegenwoordiger van Nederlands-Indië op een internationale conferentie te Simla, India, om de International Convention for the Safety of Life at Sea, opgesteld te Londen in 1929, aan te passen voor schepen met Mohammedaanse pelgrims. Hieruit kwamen de Simla Rules voort die erop neer kwamen dat zulke Hadj-schepen maar voor de helft van de passagiers “lifesaving appliances” aan boord hoefden te hebben.

Later dat jaar gaf De Meester een feestelijk ontbijt aan boord van de nieuwste aanwinst van de JCJL, de “Tjisadane”, die 9 sept. naar China voer met aan boord de Nederlandse gezanten voor China (W.J.R. Thorbecke) en Japan (J. Ch. Pabst).

Op 1 jan. 1933 verliet hij de dienst bij de JCJL, ging in Hilversum wonen, en werd o.a. ‘Intr. Comm.’ (interim commissaris?) van de N.V. Linnenfabriek E.J.F. van Dissel & Zonen te Eindhoven, waar zijn schoonvader W.P.J. van Dissel aan verbonden was. Dit bedrijf leverde aan rederijen van passagiersschepen en vorstenhuizen.

December 1936 noemt de pers hem als een van de bestuursleden  van de nieuwe NJV1.

Mogelijk is ‘onze’ De Meester dezelfde die in 1937 en 1938 secretaris was van de Nederlandsche Commissie voor Verkeerspropaganda van de Nederlandsch-Amerikaansche Kamer van Koophandel te Amsterdam. Sept. 1937 gaf deze een overzicht van de correspondentie over verkeerspropaganda in het Verre Oosten, o.a. met de ANVV en de Java-China-Japan Lijn (van de directie te Amsterdam en de agentschappen te Hongkong, Manila, Shanghai en Kobe).

publikatie 

  •  “De Java-China-Japan Lijn” in: D.A. Rinkes e.a., red., Het Indische boek der zee, Batavia etc., 1927, pp.125-130 (2e verbeterde druk; zijn artikel bevat een kort stuk over de Japanlijn: van Balikpapan direct naar Yokohama, dan via Nagoya en Osaka naar Kobe. Dan door de Inland Sea (“bij iederen toerist welbekende mooie zeegezichten”) naar Moji dan wel naar Miike, een bunkerhaven op Zuid-Kyushu; dan direct terug naar Batavia).

bronnen

Meyer Ranneft, Jan Willem (Magelang, Java, 1887 – Den Haag, 1968)
bestuurslid van de NJV1, 1937-1941?

Conservatief topambtenaar. Zoon van de adjunct-inspecteur Inlands onderwijs in Nederlands-Indië (tot 1891 genaamd Willem Meijer) en van Everdina Margo Ranneft. Hij trouwde in 1913 in Lawang, Ned.-Indië, Petronella Wilhelmina Twiss. Ze kregen twee zoons en een dochter. Petronella kwam van een sterk Ned.-Indische familie. Haar moeder en twee broers waren daar geboren evenals zijzelf en haar oudere zuster Elisabeth die getrouwd was met W.F.H. Graaf van Limburg Stirum, een planter die later hoofdagent werd van de Nillmij (de Ned.-Indische Levensverzekering en Lijfrente Mij.) te Soerabaja.

Na de HBS in Haarlem volgde Jan Willem de studie ‘Indisch bestuursambtenaar’ te Leiden, waar hij bevriend raakt met J.J. Schrieke (zie  Westra) en David Cohen (de latere voorzitter van de Joodse Raad) (Knegtmans pp.36-37). In 1906 legde hij het Groot-ambtenaarsexamen af en begon het volgende jaar zijn carrière in het Nederlands-Indisch Binnenlands Bestuur, o.a. als Controleur in Midden- en Oost-Java en in 1916 als Assistent-resident van de politie te Semarang.  Tijdens verlof vervolgde hij zijn studie aan de Nederlandsch-Indische bestuursacademie (1916-1918) en bezocht de Kaapkolonie, Japan en N.-Amerika.

1918-1925 was hij adjunct-inspecteur Agrarische zaken van Nederlands-Indië. Baanbrekend was de publikatie van zijn studie Onderzoek naar den belastingdruk op de inlandsche bevolking (1926). In 1925 was hij de gangmaker van een beweging die zich keerde tegen een tweede Indologische faculteit, nl. een in Utrecht, waarschijnlijk door het wantrouwen dat uit zo’n vestiging zou spreken tegen het Binnenlands Bestuur dat in Leiden was opgeleid, en uit wantrouwen jegens invloed van het bedrijfsleven dat zo’n universiteit zou financieren. Zijn motie in de Volksraad werd in juni met 35 tegen vier stemmen aangenomen: Utrecht was ‘ongewenst’ (Fasseur 1994:416).  

In 1925 was hij al lid, en 1928-1933 voorzitter van die Volksraad, adviesorgaan van de Gouverneur-generaal,  en hij maakte  hier een belangrijk forum van, ook voor de inlandse stem. In 1927 deed hij onderzoek naar de oorzaken van de opstand in Bantam. 1928 werd hij lid, vervolgens waarnemend voorzitter, van de Hollandsch Indische Onderwijs Commissie.

Meyer Ranneft bleef conservatief, was bv. lid van de Vereeniging Indië-Nederland (Taselaar p.330). 1933 werd hij vice-president van de Raad van Nederlandsch-Indië (een exclusiever adviesorgaan; Meyer Ranneft passeerde met deze benoeming zijn studievriend Schrieke)  en raakte bevriend met Ch. Welter (Taselaar p.378; zie Welter).

Er zijn in die tijd problemen met Japan over de (textiel-)import en immigratie uit dat land. In 1933 stelt Batavia beperkingen van beide in waar de Japanse pers fel op reageert. In Juni 1934 komt een Japanse delegatie onder oud-ambassadeur in Nederland Nagaoka Harukazu (Shunichi) (zie Van Walree, 1923-24) naar Batavia om de problemen te bespreken met de Nederlanders. Meyer Ranneft is voorzitter van de conferentie, bijgestaan door prof. J. van Gelderen (zie Van Gelderen) en de Nederlandse Consul-generaal te Kobe, W.H. de Roos, die hem zijn grondige brochure over de Japanse pers ter hand stelt, waarin hij o.a. erop wijst dat die felle pers niet aan de leiband van de autoriteiten loopt. Nagaoka blijkt een lastige tegenspeler. In december eindigen de besprekingen, voorlopig zonder resultaat. Er was zowel lof als kritiek (Stolk p.58; Post p.245 ->270) op het functioneren van Meyer Ranneft.

Febr. 1936 stuurt het bedrijf Internatio hem in opdracht van T.P. Baart de la Faille een reisverslag van Japan van de hand van laatstgenoemde (“Ik ben onder de indruk van dat land”; zie De la Faille) alsmede de tekst van E.D. van Walree’s memorie van 1935 (zie Van Walree). End jaren-30 is hij voorzitter van de selectiecommissie voor nieuwe ambtenaren in de Oost. 

1937 wordt hij ambteloos burger. Hij gaat terug naar Nederland en publiceert een kritisch artikel, “Hollands fout in Indië”, waarin hij voor meer zelfstandigheid van de Indische regering pleit. En dat jaar wordt hij bestuurslid van de NJV1, met De la Faille en Van Walree, en is redacteur van het Koloniaal Tijdschrift.

Benoemingen: 1926 Officier in de Orde van Oranje-Nassau, 1931 Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, 1936 Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau; dat jaar ontving hij het Kruis van Verdienste van het Roode Kruis. Hij was Commandeur in de Orde van de Witte Olifant van Siam en werd 1932 Doctor honoris causa aan de Amsterdamsche Universiteit.

Tijdens de bezetting wordt hij in 1942 door de Duitsers met andere invloedrijke burgers als gijzelaar vastgezet in St Michielsgestel (zie ook Leuftink).

Al in juli 1945, dus voor de Japanse overgave, is hij voorzitter van een Commissie Indologische Studenten, die een nieuwe ploeg ambtenaren voor de Oost moest rekruteren.

1946-’50 zit hij met o.a. oud-premier P. Gerbrandy en Ch. Welter in het Nationaal Comité ‘Handhaving Rijkseenheid’ dat met brede steun in het land, maar  vergeefs, ijvert voor behoud van ‘Nederlands-Indië’ binnen het Koninkrijk (zie Welter). Meijer Ranneft en Welter lanceerden met de  ‘imperialist en nationalist’ Jan Fabius een tegenvoorstel voor het akkoord van  Linggadjati dat Van Mook in november 1946 met de Republik Indonesia had gesloten. Fabius was van 1934 tot 1939 correspondent voor enkele Indische bladen in Japan geweest, had daar wat van de taal geleerd en zijn idee van witte superioriteit herzien, maar kwam vanaf 1942 als KNIL-kapitein in Japanse krijgsgevangenschap terecht, die hij maar net overleefde. Hij werd na de oorlog wegens zijn extreme uitspraken door de BVD (de Binnenlandse Veiligheids Dienst) in de gaten gehouden.

Van 1945 tot 1958 is Meyer Ranneft lid van de Raad van State. Hij neemt in 1951 een minderheidsstandpunt in over een akkoord met Japan: “De briefwisseling Stikker-Yoshida is te mager om het vredesverdrag goed te keuren.” (L.v. Poelgeest p.226). Zijn verwachtingen na de oorlog over Japan blijken uit de zinsnede: “Nieuw-Guinea is een der eerste gebieden die moeilijkheden zullen ondervinden van de onvermijdelijke expansiedrift van Japan, al dan niet alleen in economisch opzicht.” (Nat. archief 2.21.121 nr.68).

In 1957 sprak de journalist W. Oltmans o.a. Beel, Gerbrandy en Meijer Ranneft over het Nieuw-Guinea conflict en zijn plan om Nederlandse en Indonesische zakenlui en politici aan één tafel te krijgen. Ranneft reageerde in eerste instantie positief maar werd door Oltmans later een sta-in-de-weg gevonden voor zijn plan. 

publikaties

  • met W. Huender, Onderzoek naar den belastingdruk op de inlandsche bevolking, 1926.
  • “Hollandsch fout in Indië.” (De gids, maart 1937).
  • De weg voor Indië, Amsterdam, 1945.

bronnen 

  • Nederland’s patriciaat, 33e jaargang, 1947, pp.284-285.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938:1011-1012.
  • Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950, Amsterdam, 1994. 
  • Knegtmans, P.J. e.a., Collaborateurs van niveau. Opkomst en val van de hoogleraren Schrieke, Snijder en Van Dam, Amsterdam, 1996.
  • Oltmans, W., Memoires 1953-1957, 1986; Memoires 1957-1959, 1987.
  • Otterspeer, W., Het horzelnest – De Leidse universiteit in oorlogstijd, Amsterdam, 2019.
  • Poelgeest, L. van, Japanse besognes (…), Den Haag, 1999.
  • Post, P., Japanse bedrijvigheid in Indonesië, 1868-1942 (proefschrift, V.U.) Amsterdam, 1991.
  • Stolk, A.A.H., Jean Charles Pabst (…), Zeist, 1998.
  • Taselaar, A., De Nederlandse koloniale lobby – Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940, Leiden, 1998.
  • Vanvugt, E., Roofstaat. Wat iedere Nederlander moet weten, Amsterdam, 2016.
  • Vossen, Koen, Groter dan het leven. De roekeloze avonturen van Jan Fabius, Meppel, 2024.
  • https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.21.121
  • http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/meijerjw

Over Meyer Ranneft : “uiterst conservatief” (Cees Fasseur in: Jaarboek van de Mij. der Nederlandse Letterkunde, 1999:42); “ultra-conservatief geëindigd” (id., 1994:416). 

Pauw, Alexander Augustus (Haarlem, 1880 – West Chiltington, V.K., 1973)
bestuurslid van de NJV1, 1937?- 1940

Zoon van Engelbert A.W. Pauw, leraar Franse taal en letterkunde op de HBS te Haarlem en kapitein van de schutterij aldaar, en Cornelia W. Mekern. Alexander bezocht de lagere school en HBS in Haarlem.

Hij trouwde eerst Jacoba J. Meerman (1920; twee dochters uit dit huwelijk; echtscheiding te Soerabaja), vervolgens Gertrude S. Broese van Groenou (1929; echtscheiding te Den Haag; zie Baart de la Faille voor deze familie), ten slotte Lilian Syer te Londen, 1946. 1948 werd hij Brits onderdaan.

In 1903 kwam hij in dienst bij de Nederlandsche Handelmaatschappij, die hem het volgende jaar naar West-Indië stuurde. 1910 beheerde hij de kas van de NHM te Batavia en was in 1912  tijdelijk sub-agent te Telok-Betong (Sumatra post, 7-8-12). 1916 werd hij tijdelijk 1e  geëmployeerde te Medan. In 1927 werd hij, als waarnemend voorzitter van het Algemeen  Syndicaat van Suikerfabrikanten in Ned.-Indië (de ASNI, nauw verbonden met de BENISO, zie Dresselhuijs), benoemd tot lid van de Volksraad (tot mrt. 1928; zie Meyer Ranneft). Eind 1928 keerde hij terug naar Europa voor herstel van zijn gezondheid.

In 1930 zat hij weer als lid Cultuurzaken van de NHM in Batavia maar in oktober van dat jaar volgde zijn benoeming in de directie van de NHM te Amsterdam. Bij de Duitse inval in mei 1940 was hij als enig directielid op tijd naar Engeland vertrokken, waar hij ook voorzitter werd van de Raad van Bestuur van de KLM in Londen. Juli 1944 zat hij in de Nederlandse delegatie die met de V.S. en Engeland overlegde over de rubber-productie in verband met de oorlog. Dit overleg werd ook na 1945 voortgezet. In 1946 trad Pauw af als directeur van de NHM wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek verleende dat jaar de Ned.-Indische Steenkolen Handel Mij. hem eervol ontslag als commissaris.

Pauw had meerdere commissariaten, o.a. bij de Droogdokmij., de “Soerabaja”,  de Zeehaven en kolenstation Sabang, Atjeh transportmij., Surinaamsche Waterleiding mij., Java Textielmij., Ned.-Indische mij. tot voortzetting der zaken van Van der Linde & Teves & R.S. Stokvis & Zonen. Hij was voorzitter van de Vereeniging van Thee Importeurs en vice-voorzitter van de raad v. bestuur van de KNIL. Pauw bereisde de hele wereld.

Volgens de overlijdensadvertentie was Alexander A. Pauw Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

bronnen

  • Taselaar, A., De Ned. koloniale lobby, Leiden, 1998 (zie p.108,134,145 voor de ASNI en zijn  wrijving met de overheid in Indië; p.213 voor Pauw’s meerdere functies)
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.1136.
  • http://www.biografischportaal.nl/persoon/86228287

Over Pauw: “een tweede of derde rangs kracht” (Heldring, 1970:1778, 1097).

Poel, Wouter van der (Culemborg, 18-2-1883 – Den Haag, 7-10-1961)  
bestuurslid (1937~1941) en vice-voorzitter (1937, 1940-‘41) van de NJV1.

Zoon van de stoelenmaker Nicolaas Jan van der Poel en Angenita Bleijenberg.

Wouter trouwde mrt. 1906 te Elst (N.-Brabant) met Cornelia Wilhelmina de Kok (1884-1936). Ze kregen een zoon, Cornelis Willem, geboren nov. 1906 te Soerabaya. Van der Poel hertrouwde later met Oda A.J. Boertee (geb. te Leiden, 1912; zie de laatste paragraaf van deze biografische schets).

Opmerkelijk is dat zoon Cornelis in 1936 bij volmacht (Batavia/ Leiden) was getrouwd met een Catharina (‘Kitty’) M.W. Boertee (geb. te Den Haag, 1911; ze scheidden in 1946). Deze twee dames Boertee waren zussen.

Na voltooiing van zijn studie aan de Koninklijke Militaire Academie werd Van der Poel in 1906 officier bij het KNIL. 1918-1919 gaf hij les op de Militaire School waar hij directeur werd. Tijdens lang verlof studeerde hij Japans onder prof. De Visser in Leiden (zie ook: Krieger). Daarna verbleef hij een paar jaar in Japan en  onderwees vervolgens Japans en Maleis in Nederlands-Indië, o.a. in Batavia en Bandoeng. In 1923 spande hij zich in voor hulp aan het door de Grote Aardbeving getroffen Japan, en eind van dat jaar bij een bezoek van een Japans eskader aan ned.-Indië, waarvoor de voorzitter van de Japanse vereniging te Batavia (de Batavia Nipponjinkai) hem officieel bedankte.

In febr. 1937 werd hij eervol ontheven van zijn functie en keerde terug naar Nederland. 1937-1938 verving hij (Bataviaasch Nieuwsblad, 12-6-1937: “De bekende Japanicus kol. W. van der Poel”) prof. Rahder tijdens diens afwezigheid, op de universiteit te Leiden en bij de NJV1. Die jaren gaf hij verschillende lezingen voor de NJV over het Japanse onderwijs en geestelijke stromingen en tolkte bij een radio-uitzending, georganiseerd door de Nichiran Kyōkai te Tokio en de NJV1. Voor de oorlog werd hij nog onderscheiden met de Orde der Rijzende Zon (Kyokujitsushō).

In maart 1940 gaf hij voor de NJV1 de lezing “De (her)scheppende geest der Japanners” (met na afloop enkele Japanse films) en werd dat jaar tweede vice-voorzitter van de vereniging. Hij bleef op de universiteit tot november van dat jaar, toen die door de bezetter werd gesloten. In 1943 publiceerde Van der Poel zijn Leerboek der Japansche taal. Zijn filosofie daarbij was: “de taal dient (men) te leren zoals de Japanse kinderen dit doen.”

In het academisch jaar 1949 verving hij C.C. Krieger, die tijdelijk in het buitenland was, als docent Japans te Utrecht, en in 1950-’51 verving hij zijn vroegere student F. Vos als docent Japans te Leiden. Vos diende toen als tolk-kapitein in de Koreaanse oorlog. Van der Poel heeft dus twee professoren en een professor-in-spe in de Japanologie meegemaakt.

Al in 1952 sprak Van der Poel over de heroprichting van de NJV. In 1958 was hij lid van het Comité van Aanbeveling van de NJV2. Zijn gezondheid verhinderde hem echter in de nieuwe vereniging nog een grote rol te spelen.

In zijn ‘In memoriam’ in 1961 zegt bestuurslid Vos namens de NJV tot slot: “Onze oprechte gevoelens van deelneming gaan uit naar haar, die zijn bescheiden vreugden en vele interessen gedeeld en zijn lijden verzacht heeft, mevr. O.A.J. Van der Poel-Boertee.”

Publikaties

  • “Chineesche philosophie”, in: Indisch maçonniek tijdschrift, 33, 1927-28, pp.7-16.
  • Leerboek der Japansche taal: met bijvoeging van opgaaf der katakana en hiragana teekens, Den Haag, 1943 (396 p.). [Uit de inleiding: “Evenals in Japan zelf alles volgens vaste regelen plaats heeft, de Japanner altijd schematisch te werk gaat, zoo heeft de taal een regelmatigheid die aan wiskunde doet denken.”]                          [Het boek is gebaseerd op zijn Leercursus der Japanse taal, ca 440 p., getypt; aanwezig in Universitaire bibliotheken te Leiden, afd. Bijzondere Collecties. In de Leercursus behandelt Van der Poel nog uitvoerig de schrijfwijzen van Chinese karakters, de kanji, “volgens Kikue Ojima”, maar blijkbaar kon dit niet in de publikatie overgenomen worden. Alleen in de appendix worden de kana weergegeven].

Bronnen

Over Van der Poel: “in zijn conscientieuse lessen getuigde hij van zijn liefde voor de Japanse taal en cultuur” (F. Vos, 1961).

Rahder, Johannes (Loeboeg Begalong, bij Padang, Sumatra, Indonesië, 27-12-1898 - Hamden, Conn., VS, 3-3-1988)
vice-voorzitter van de NJV1 (Juli 1937-1939)

Zijn ouders waren Wilhelmus Jacobus Rahder en Carolina E. Rahder-Voet.

De Rahders waren eeuwenlang wijnhandelaren in Duitsland en Nederland. Maar Wilhelmus  werd resident in Riouw (1908) en in Medan (1910) op Sumatra, Nederlands-Indië, terwijl een broer van hem in Medan voorzitter was van de Raad voor Justitie.

Johannes werd echter een wetenschapper. Hij studeerde Nederlands en geschiedenis op de Universiteit van Utrecht, 1920-1922, en daarnaast Sanskriet. In 1922 kwamen daar in Leiden nog een paar Aziatische talen bij. In 1926 promoveerde hij in Utrecht op een studie van de Dasabhūmikasūtra, een belangrijk boeddhistisch geschrift in het Sanskriet. Vervolgens werkte hij een paar jaar in Japan aan de editie van het boeddhistisch woordenboek Hōbōgirin.

In 1928 trouwde hij in Brussel met Klara Lapin (geboren in Kowno, Polen), maar ze scheidden al in 1931. Intussen was hij in 1929 in Utrecht professor geworden in het Sanskriet, Avestisch, Oud-Perzisch en de Indo-Germaanse taalwetenschap. Maar al in januari 1931 verruilde hij deze post voor de leerstoel Japans te Leiden, na het overlijden van  professor M.W. de Visser. Tussen 1932 en 1935 maakte Rahder meerdere studiereizen naar het Verre Oosten.

In 1937 werd hij vice-voorzitter van de NJV en verzorgde de inleiding van sprekers en Japanse films. Later dat jaar werd hij voor een jaar uitgenodigd door de University of Hawaii in Honolulu, en liet zich in Leiden en bij de NJV vervangen door W. van der Poel. Op de boot naar Hawaii werd hij vergezeld door zijn secretaresse Sadako Takeda (1911-2001) met wie hij in 1938 in Honolulu trouwde.

Terug in Nederland informeerde hij de minister van Buitenlandse Zaken over een gesprek van hem met Japanse diplomaten die in Nederlands-Indië hadden gediend waarbij dreigementen waren geuit tegen ons land, vooral in verband met de economische politiek (T. v. den Berge 2014:155).

En hij hervatte zijn werkzaamheden aan de universiteit en bij de NJV1. Onder zijn studenten waren o.a. C.C. Krieger, Robert van Gulik, C. Ouwehand en F. Vos. In zijn dissertatie zou Van Gulik zijn professor prijzen. Aan de andere kant maakte Rahder in een publikatie van 1942 kritische opmerkingen over de dissertatie van Krieger die nota bene bij hemzelf gepromoveerd was (zie Krieger).

Tijdens de bezetting (1940-1945) werkte Rahder ondanks de sluiting van de universiteit zoveel mogelijk door. Hij bezocht ook Duitsland, ontving Duitse gasten en zou ook NSB-avondjes bezocht hebben. Na de oorlog werd hij hierop scherp aangevallen. Collega’s en studenten verweten hem gebrek aan solidariteit tegenover de bezetter en een pro-Japanse houding. De Sinoloog J.J.L. Duyvendak en F. Vos voerden ter verdediging zijn wereldvreemde karakter aan. Duyvendak in december 1945: “hij is sowieso heel dom maar als geleerde onmisbaar” (en zie Otterspeer 2019, p.219).

Juni 1945 werd Rahder geschorst en officieel berispt. In 1946 werd hij eervol ontslagen en vertrok datzelfde jaar op uitnodiging naar de University of Hawaii te Manao. Het jaar daarop werd hij professor Japans op Yale University en bleef in die functie tot 1967. Rahder onderhield zijn contacten met collega’s en voormalige studenten, ook in Leiden, bv. met F. Vos. In sommige publikaties en oraties werd hij met respect genoemd.

publikaties

  • Dasabhūmikasūtra, Leuven: Istas [Ph.D. dissertatie], 1926.
  • (comp.), Glossary of the Sanskrit, Tibetan, Mongolian and Chinese versions of the Dasabhūmikasūtra; Paris: Librairie Orientaliste Paul Geuthner, 1928.
  • Japanologische verkenningen – rede uitgesproken bij de aanvaarding van het ambt van hoogleeraar aan de Rijks-Universiteit te Leiden op 25 Sept. 1931, Leiden.
  • Voorwoord in Araki Sadao, vertaald door J.B. Snellen, De roeping van het huidige Japan, Leiden, 1932 [Rahder’s voorwoord in dit agressieve pamflet bestaat vooral uit een bibliografische noot].
  • “Het ontslag van Jhr. Dr. Ph.F.B. von Siebold”, Jaarboekje voor Geschiedenis en Oudheidkunde van Leiden en Rijnland, 1932-1933, vol.25, p.26-50, Leiden, 1933.
  • “Saikaku’s ‘Life of a voluptuous woman’, Second book”, Leiden: Acta Orientalia, 1935, vol. XIII, p.292-318.
  • “Record of the Kurume uprising”, Leiden: Acta Orientalia, 1936, vol. XIV, p.81-108.
  • “Miscellany of personal views of an ignorant fool [Guk(w)anshō]”, Acta Orientalia, 1937, vol. XV, p.173-230 [vertaling van de Appendix (7e hoofdstuk)]
  • “Japansche aard en cultuur”, Tijdwende Hollandsche Post, febr. 1943, pp.26-33 [artikel in de geest van die tijd: “De Japanners zijn door bloed met hun goden verbonden, en door den grond” (p.32); “Japan neemt van elke vreemde cultuur elementen op, met uitzondering van de joodsche.” [maar:] “Beide zijn ‘uitverkoren’” (p.30).]
  • meerdere taalkundige artikelen over het Japans, o.a. “The comparative treatment of the Japanese language, [I]-IV” en “Etymological vocabulary of Chinese, Japanese, Korean, and Ainu, 1-5”, verschenen in de periode 1940~1963.

 Bronnen

  • Barkman, C.D. & H. de Vries-van der Hoeven, Een man van drie levens: biografie van diplomaat/ schrijver/geleerde Robert van Gulik, 1993, pp.31-32.
  • Berge, T. van den, H.J. van Mook, 1894-1965. Een vrij en gelukkig Indonesië. Biografie, Bussum, 2014.
  • Boot, W.J., “Japanese studies in the Netherlands”, in: Japanese studies in Europe (Directory Series VII), Tokyo, 1985, p.331.
  • correspondentie: Duyvendak-archief, East Asian Library, Universitaire Bibliotheken Leiden.
  • Knüppel, M., “Drei Briefe Johannes Rahders an Gerhard Doerfer”, in: Journal of Oriental and African Studies, vol.16, 2007, pp.229-234.
  • Nederland’s patriciaat, 25e jaargang, 1939.
  • Otterspeer, W., Het horzelnest – De Leidse universiteit in oorlogstijd, A’dam, 2019.
  • Jaarboek der Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden 1932-1933, 73-82. 
  • Vos, F., “Mihatenu yume – an unfinished dream: Japanese studies until 1940”, in : W. Otterspeer, Leiden Oriental Connections, 1850-1940, Leiden: Brill, 1989, pp.373-374 (kopie   in Wikipedia: “Johannes Rahder”).
  • Yale University archives: Archives.yale.eduManuscripts and Archives   (Call number: RU 237 Series Accession 1995-A-033)
  • Portretfoto in https://profs.library.uu.nl/index.php/profrec/getprofdata/1681/1/1/0
Suermondt, Waldemar Arthur (Batavia 1900 – Bussum, 13-2-1953)
Secretaris van de NJV1 (juli 1937-ca. juni-1938); corresponderend lid (1940)

Zijn ouders waren ook in Batavia geboren. Vader Alphonse was secretaris van de Raad van Indië en lid van de Algemene Rekenkamer; moeder was Johanna A Schröder. Waldemar werd eerst toegelaten tot het gymnasium van Batavia maar voltooide in 1918 de HBS te Den Haag.Twee jaar later voltooide hij zijn studie in de handelseconomie op de Handelshoogeschool te Rotterdam, waar dezelfde zomer P.A. Roeper Bosch promoveerde op zijn proefschrift Japan in den oorlog (zie map Vriendschapsverenigingen 1912-1936 -> Biografieën 1917-1936 : Roeper Bosch). Op 10 september overleed zijn vader in Ned.-Indië en een week later nam Waldemar de boot naar Batavia.

Eind 1923 volgde zijn benoeming tot procuratiehouder voor de Ned.-Indische Handelsbank te Semarang, Ned.-Indië. W. Suermondt Lzn., een achterneef van Waldemar’s overleden vader, was commissaris van deze bank (en zie Leuftink, Calkoen), van Internatio (zie Baart de la Faille), enzovoort (Taselaar, p.64, 66).

In 1925 volgde Waldemar’s aanstelling tot procuratiehouder voor de bank te Swatow (tgw. Shantou). In  1927 nam hij tijdelijk de consulaire taken voor Nederland waar te Amoy (tgw. Xiamen; beide belangrijke havensteden aan de Zuidchinese kust).

Na een bezoek aan Nederland keerde hij terug naar Batavia in sept. 1929 en werd daar ‘arbitrageant’ (i.e. specialist in beleggingen) voor de bank.

Eind 1934 trouwde hij met Wilhelmina C.F. Ruysch; ze gingen in Amsterdam wonen waar het volgende jaar een dochter wordt geboren. In 1936 wonen ze in Den Haag waar in december een zoon ter wereld komt.

In die dagen wordt Suermondt secretaris van de op te richten Nederlandsch-Japansche Vereeniging met als adres zijn kantoor aan de Lange Vijverberg of het huisadres aan de Kraaienlaan. In die hoedanigheid wordt hij in augustus  1937 in Den Haag voorgesteld aan prins Chichibu, een jongere broer van de Japanse keizer. Diezelfde maand begroet hij dhr. Masaji Inouye, voorzitter van de Ned.-Indische~ Japansche Vereeniging en vice-voorzitter van de Japans-Nederlandse Vereniging te Tokio bij een lunch, aangeboden door de NJV(1). Voorts leidt Suermondt sprekers en films in bij bijeenkomsten in 1937 en 1938.

Juni 1938 vertrekt de familie Suermondt echter naar Nederlands-Indië en wordt jonkheer Calkoen secretaris van de vereniging. Suermondt wordt inspecteur van de levensverzekeringsmij. Vita te Soerabaya. Daarnaast wordt hij in oktober 1940 penningmeester van de Soerabaiasche Huishoud- en Industrieschool.

Zijn vrouw en twee kinderen zaten tijdens de Japanse bezetting in het kamp Tjideng op Java, hij overleefde een ander kamp. Een cynisch lot voor een voormalig bestuurslid van een Nederlands-Japanse vriendschapsvereniging. Na de oorlog keerde Suermondt terug naar Nederland en werd algemeen procuratiehouder van de N.V. Hollandsche Belegging en Beheer Mij. te Amsterdam. Hij overleed 13 februari 1953 in Bussum.

Bronnen

  • Taselaar, De Nederlandse koloniale lobby – Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940, Leiden: CNWS, 1998 (p.237: over W. Suermondt Lzn).
  • www.japanseburgerkampen.nl (gezien 29-3-2023).
Walree, Emile David van (Brummen, 12-8-1871 ~ Baarn, 20-2-1950)
voorzitter van de NJV1, 1937 - 1942.

Zoon van de steenfabrikant David Christiaan en de schrijfster Emilie C.W. Gobée (pseud. Christine Muller). Emile volgde de HBS in Zutphen en deed in 1888 al na één jaar eindexamen op de Openbare Handelsschool in Amsterdam. Op die school sloot hij vriendschap met Ernst Heldring (later, in de economie, de ‘Onderkoning van Amsterdam’). Vanaf 1889 werkte Emile in Rotterdam en New York voor de Holland-Amerika Lijn, maar stapte in 1892 over naar de consulaire dienst. In 1896 volgde zijn benoeming tot vice-consul in Yokohama. Hij maakte naam in die functie en voelde zich aangetrokken tot Japan. Hij leerde er Kiyo Mochida (1877 – Amsterdam, 16-9-1960) kennen met wie hij in 1919 officieel trouwde. Hun dochter Emilie Martine was al eerder (9-3-1899) in Yokohama geboren.

Met tegenzin verliet hij Japan om in 1897 waarnemend consul-generaal te Shanghai te worden, nog geen dertig jaar oud. Zijn consulaire verslagen over Japan en China werden in de Nederlandse en Ned.-Indische pers ruim overgenomen. Van Walree vond dat de westerse koopman weinig kansen had in de handel tussen Nederlands-Indië en Japan (P. Post, 1991:150; 166; p.182 n.98).

Ook zijn rapporten vanuit Shanghai over de Boxer-opstand in China in 1900 werden in de pers overgenomen. De Boxers, gesteund vanuit het conservatieve (Mandsjoe) hof in Peking, richtten zich tegen vreemdelingen en belegerden de legaties in Peking. Honderden buitenlanders werden in het land vermoord, maar in Shanghai was de bevolking op de hand der vreemdelingen, aldus Van Walree; alleen van de houding van de Chinese soldaten was men niet zeker. Uiteindelijk sloeg een internationale troepenmacht met Chinese bondgenoten de opstand neer. Van Walree had om Nederlandse oorlogsschepen gevraagd, ook omdat “vertoon van onze vlag (naderhand) van gewicht kan zijn voor onze handel.”   

Vanuit Shanghai nam Van Walree het initiatief voor een Java-Hongkong-Japan-VS scheepvaartlijn, o.a. gesteund door zijn vriend Heldring (intussen directeur van de Koninklijke Nederlandsche Stoomboot-Maatschappij). Dit resulteerde uiteindelijk (1902) in de oprichting van de Java-China-Japan Lijn. Van Walree was vele jaren commissaris of lid van de Raad van Bestuur van dit bedrijf (Brugmans, 1952:vi-vii; 30-32,39,42). Hij was toen op zijn verzoek eervol ontslagen als consul en werd benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau (1901). Balthasar Heldring, president van de Nederlandsche Handel Maatschappij en vader van Ernst, haalde hem toen binnen bij de NHM en Van Walree kreeg de leiding van het NHM-agentschap in Shanghai (1903-1906). Hij klom op in de hiërarchie maar kwam in conflict met de latere president, C.J.K. van Aalst, en nam in 1917 ontslag (vriend Ernst zou pas in 1939 president van de NHM worden).

Van Walree reisde twee jaar door Azië voordat hij in 1920 directeur van de Twentsche Bank werd. In die hoedanigheid werd hij penningmeester van het Centraal Nederlandsch Comité “Ramp Japan 1923” dat geld inzamelde om het door een zware aardbeving getroffen land te helpen. De totaalopbrengst was f 164.000. In 1924 kon een verwant Comité Universiteit Tokio de Japanse gezant Harukazu Nagaoka 10.000 boeken schenken ter compensatie van de verloren gegane universiteitsbibliotheek. Van Walree was erelid van dit comité.

Vanaf januari 1923 was hij nog vice-voorzitter van een net opgerichte Nederlandsch-Chineesche Vereeniging (voorzitter was de latere minister O.C.A. van Lith de Jeude).

Dochter Emilie werkte als vrijwilligster op het Rijks Ethnografisch Museum te Leiden (1920-1924 en 1928-1929), onder conservator Roorda.

Na zijn aftreden bij de Twentsche Bank reisde Van Walree met zijn gezin weer naar China, Japan en Indonesië (1925-1928; De Vries, 1970:607; 739) waar hij ontspanning en werk combineerde. In ’29 schreef hij een rapport voor de Kamer van Koophandel over het afbetalingssysteem. In de jaren-30 was hij zelfs actief bij handelsbesprekingen met de Sovjet-Unie (die nog niet door Den Haag officieel erkend was), en bepleitte in Nederland de devaluatie van de gulden. Hij publiceerde daarover in 1934, wat veel discussie losmaakte, en werd twee jaar later  voorzitter van het Comité voor Devaluatie.

In zijn werkje Azië en wij (1930, p.59) keerde hij zich tegen het opiumgebruik in Nederlands-Indië en stelde daarbij Japan als voorbeeld. Het essay kreeg een veelal positieve waardering in de pers.

In een lezing voor de Industrieele Club te Amsterdam verdedigde hij nog de Japanse (agressieve) politiek in China en de ‘Japanse beschavende invloed’ in Korea en Taiwan (febr. 1932). En vond ook nog tijd om lid te worden van het Willem de Zwijger-Comité (voor het 4e eeuwfeest van Oranje’s geboorte) in zijn woonplaats  Baarn, waarvan ook de japanoloog L.J. Pierson lid was. En in 1934 werd hij lid van het Pelikaan-Comité (afd. Baarn) t.b.v. de Nederlandse luchtvaart.

In Tokio in 1935 schreef hij, na een ontmoeting met de president van de Yokohama Specie Bank, K. Kodama, aan deze een “niet-officiële” brief van vijf kantjes over de handel tussen Japan en Ned.-Indië en de competitie tussen Europese en Japanse importeurs in Indië, compleet met statistieken over de periode 1928-1934. Van Walree wijst hierin op het exclusieve systeem dat Japan voor haar kolonies Korea en Taiwan toepast. “Voor een betere handelsbalans zou Japan veel meer Java-suiker moeten importeren en minder manufacturen naar Indië exporteren.” (zie Baart de la Faille en Meyer Ranneft).

Juni 1936 hield hij een lezing over “Mededingend Japan” voor de Ned. Maatschappij voor Nijverheid en Handel, en prof. J. van Gelderen over “De economische samenwerking tussen Nederland en Ned.-Indië”.

December van dat jaar werd hij met zijn kennis van en liefde voor Japan voorzitter van de op te richten Nederlandsch-Japansche Vereeniging. Zo stelde hij eerder: “Japan’s huidige positie in de wereld is het gevolg van een degelijk volkskarakter, een goede natuurlijke aanleg en zeer hard werken” (Azië en wij, 1930 p.21). Ook over de Chinezen was hij positief, maar niet over hun politieke situatie (o.a. Economic relations of the Netherlands Indies with other Far Eastern countries, 1935, p.12: “hardworking, law-abiding people”). Bij de eerste bijeenkomst van de vereniging in maart 1937 hield hij als voorzitter (en zakenman) een optimistische inleiding (“de handelspolitieke moeilijkheden tussen de twee landen zijn uit de weg geruimd”). Maar in een lezing in november zei hij dat het conflict in China door de Japanse militairen was geforceerd en geenszins populair was in Japan zelf. Hij bleef voorzitter van de NJV tot de opheffing in jan. 1942.

In aug. 1939 volgden Van Walree en H.D.P. Francis (te Londen) Eugen Rothschild en Wilhelm von Gutmann op als commissarissen van de Witkowitzer Bergbau- & Eisenhütten Gewerkschaft nadat de Rothschilds in maart akkoord waren gegaan met de verkoop van dit bedrijf (16.000 werknemers), gevestigd in Tsjechoslovakije, aan de nazi’s, de H. Göring Works (voor £ 3,6 mln. plus de vrijlating van de in Wenen gegijzelde Louis Rothschild, i.p.v. de eerst gevraagde £10 mln.). Twee jaar eerder hadden de eigenaren het bedrijf echter ondergebracht bij de Alliance Assurance Co. te Londen (geleid door een Rothschild bank). Toen 1 sept. 1939 de oorlog uitbrak was de overdracht nog niet voltooid, zodat de Göring Works niet de rechtmatige eigenaar was maar wel vanaf dat moment de bedrijfswinst in zijn zak kon steken (Hilberg, vol.I:104-110, 1985; Sandgruber 2018:216,229,340,460).

Van Walree had al via de Amstelbank te maken gehad met de Weense Rothschilds. De bank was in 1920 opgericht door twee Weense Rothschild-banken en verkeerde in 1931 in financiële moeilijkheden (Sandgruber 2018:381,424). Van Walree werd toen benoemd tot bewindvoerder.  Welke positie hij innam na 1 sept. 1939 bij het Witkowitzer bedrijf is onbekend. 

Ook tijdens de bezetting bleef hij actief voor verschillende bedrijven. Hij werd benoemd tot voorzitter van het Nederlandsch Economisch Instituut, waar E. Heldring ondervoorzitter was (Algemeen Handelsblad, 6-12-1940); werd herkozen als commissaris van de Papierfabrieken Van Gelder Zonen (Amsterdamsch effectenblad, 25-3-’41); idem bij de Javasche Bosch Exploitatie Mij. v.h. P. Buwalda & Co. (De Tijd, 23-9-’41). In december 1941 legde hij het presidium van het N.E.I. neer, maar bleef lid van het curatorium.

Dochter Emilie gaf dat jaar in Haarlem een demonstratie Japanse bloemschikkunst, ikebana (A.H., 23-5-’41), en een lezing. Zij was gediplomeerd in de ‘ikenobo’-stijl. Haar moeder had een andere stijl geleerd (Het Vaderland, 2-9-’41). In juni ’48 gaf Emilie weer ikebana-les in Amsterdam. Een van de cursisten was Lim Kok-wie, assistent op de afdeling Japanologie, Universiteit Leiden.

Na de oorlog werd Van Walree, met Heldring e.a., herkozen als commissaris bij de Java-China-Japan Lijn (Het Parool, 14-9-’46) en kwam in de raad van bestuur toen dit bedrijf fuseerde met de Koninklijke Paketvaart Mij. (Leeuwarder Courant, 24-6-’47).

In febr. 1950 overleed Van Walree in zijn woonplaats Baarn. Hij was commissaris geweest bij zeventien bedrijven (bij de Vereenigde Koninklijke Papierfabrieken der fa. Van Gelder & Zn. van 1913 tot 1941), bestuurslid cq bewindvoerder bij zestien andere, en had ook in zestien uiteenlopende commissies en comité’s gezeten. Hij was Ridder (1901), later Officier, in de Orde van Oranje-Nassau, en Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw (’35);  Commandeur 3e kl. in de Orde van de Heilige Schat van Japan (’36). En Ridder 1e klasse der Orde van St. Olav van Noorwegen (1899).

Van Walree was meer dan eens kandidaat voor een topfunctie in de bankwereld, maar zijn reputatie als man met uitgesproken anti- en sympathieën stond dat in de weg.

Portretfoto in Alg. Handelsblad, 11-2-1932.

Emile’s jongere broer Henri Nicolaas, directeur van het kantoor Utrecht van de Twentsche bank, had een zoon Erik (1906 ~ 1999), van 1971-1991 penningmeester van de naoorlogse NJV.

Publikaties

  • “De buitenkantoren van de N.H.-M. in Azië”, in: Algemeen Handelsblad – bijvoegsel, 28-3-1924, p.3.
  • Bijdrage over Ch. & Jp. in gedenkboek ‘Hou’ en Trouw’, 1925.
  • “Economische vooruitzichten in China”, in: China, aug.-sept. 1928 (blad van de Ned.-Chineesche Vereeniging; de auteur: de vooruitzichten zijn niet ongunstig”).
  • “Manchoerije I”, in: Econ. Statistische Berichten, v.19-12, dec. 1928; [4-4-’31:] & art. in nrs. d.d. 1-10-’30,13-5-‘32
  • Azië en wij. Een studie over onze verhouding tot Nederlandsch-Indië, Amsterdam, 1930 (68 p.; hier en daar wat paternalistisch van toon).
  • Overzeesch werkende banken, 10 jan. 1931 (13 p.; overdruk uit het Banknummer van het Algemeen  Handelsblad).
  • “De crisis van vertrouwen”, in: A.H., 21-9-31 [3 kolommen; over toestand in Ned.]
  • “La Banque aux Pays Bas”, in: La Gazette de Hollande, 11-5-34.
  • Naar devaluatie v/den gulden (35 p.), oct. ’34.
  • Economic relations of the Netherlands Indies with other Far Eastern countries, 1935 (44 p.; een bondig en doorwrocht overzicht van de economische toestand in Zuid- en Oost-Azië dat hij schreef als voorzitter van het Netherlands Pacific Institute, Amsterdam, verschenen in het Japans, ruim 50 pagina’s, in TIMES International News Pamphlet Service, no 890, 1936).
  • [overzicht v/d kleine industrie v. Japan], Bulletin van het Koloniaal Instituut en Nederlandsch Pacific Instituut, nov. 1938.

Bronnen

  • Brugmans, I.J., Van Chinavaart tot oceaanvaart – De Java-China-Japan-Lijn (…), 1952.
  • Hilberg, Raoul, The destruction of the European Jews, vol.I, rev.ed.; New York, etc., 1985. 
  • Nederland’s patriciaat, 23e jaargang, 1937.
  • Post, P., Japanse bedrijvigheid in Indonesië, 1868-1942, (proefschrift, V.U.) Amsterdam, 1991.
  • Rijks Ethnografisch Museum te Leiden – Verslag van den directeur over 1/1/1920 ~ 31/12/1920, p.3 ; & idem 1928, p.1, 1929, p.3.
  • Sandgruber, Roman, Rothschild. Glanz und Untergang des Wiener Welthauses; Wien, etc., 2018.  

  • Vries, Joh. de [red.], Herinneringen en dagboek van Ernst Heldring (1871-1954), 3 dln., Utrecht, 1970.

  • Veel informatie in: http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn3/walree
  • Archief van F. Vos, Universiteitsbibliotheken Leiden, afd. Bijzondere Collecties.

Over dochter Emilie en ikebana:

Over Van Walree: “(hij) was niet altijd even gemakkelijk in de omgang en stond in beperkte kring bekend om zijn driftbuien” (resources.huygens.-knaw.nl).

Welter, Ch.J.I.M. (Den Haag, 1880-Den Haag, 1972)
bestuurslid van de NJV1, 1937

Zoon van Henri Louis, bestuursambtenaar in Ned.-Indië, en Josephina J.M. Willemse. Na de HBS in Den Haag volgde hij de opleiding voor de Indische dienst te Delft (1901 grootambtenaarsexamen voor den Indischen dienst; Fasseur 1994:336, 518 n.4: Welter was de hoogst geslaagde van de vijf) en was van 1902 tot 1908 (aspirant-)controleur op Java (Fasseur 1994:377: foto van Welter te paard). In 1903 trouwde hij Geertruida C.C. Burger. Vanaf 1908 maakte hij carrière te Batavia en Den Haag. Voor en tijdens WO I diende Welter als ambtenaar bij Koloniën drie nota’s in over Japanse “expansie” en “spionage”. In 1924 werd hij lid van de Raad van Ned.-Indië, en in sept. 1925 Minister van  Koloniën in het 1e kabinet-Colijn. 1926-1931 zat hij weer in de Raad van Indië. 1933- ’37 was hij voorzitter van de belangrijke Ondernemersraad voor Ned.-Indië, dan, juni 1937, weer Minister van Koloniën (4e kabinet Colijn), tot 1939.

In de ledenlijst van 1937 is Welter dan al geen bestuurslid van de NJV1 meer, wel ‘begunstiger-lid’.

Hij is weer Minister van Koloniën in de kabinetten De Geer (1939) en Gerbrandy (1940), dan in Londen. Maar in nov. 1941 stapt hij op na onmin met Gerbrandy. Welter toonde defaitisme tegenover de Duitsers (Steinmetz p.133). Ook was hij voor toegevendheid tegenover de Japanners (Stolk p.90 ff) en sympathiseerde met het bewind van Pétain in Frankrijk (Kersten p.162,641). Van Lidth de Jeude (zie bij Van Walree, 1923), vanaf sept. 1942 Minister van Oorlog in Londen: “Zijn politieke inzichten zijn niet de mijne” (id. p.176).

Na de oorlog vormde hij het Nationaal Comité ‘Handhaving Rijkseenheid’, met Gerbrandy en Meyer Ranneft met wie hij bevriend was (Taselaar p.378). Met andere conservatieve lobbygroepen als ‘Indië in nood’  verzamelden ze 300.000 handtekeningen tegen het akkoord van Linggadjati dat Nederland en de Republik Indonesia gesloten hadden (1946) (Van Reybrouck p.362). 

Vanaf 1948 was Welter lid van de Tweede Kamer voor de Katholiek Nationale Partij, vervolgens (1956-1963) voor de Katholieke Volks Partij waarin de KNP was opgegaan. Hij was o.a. grootofficier in de orde van Cambodja.

bronnen

  • Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost. 1825-1950, Amsterdam, 1994. 
  • Kersten, A.E., e.a. (red.), Londense dagboeken van Jhr. ir. O.C.A. van Lidth de Jeude, jan. 1940-mei 1945, I-II, Den Haag, 2001
  • Reybrouck, David van, Revolusi – Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld, A’dam, 2020.
  • Steinmetz, S., De tien van Den Haag: topambtenaren tijdens de bezetting, 2025, p.133: (maart 1941) “Londen in puin, Wilhelmina deed niets, kabinet hopeloos verdeeld, Duitse bezetting zal lang duren.”) 
  • Stolk, A.A.H., Jean Charles Pabst, Zeist, 19982.
  • Taselaar, A., De Nederlandse koloniale lobby – Ondernemers en de Indische politiek, 1914-1940, Leiden, 1998.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.1609.
  • https://www.nationaalarchief.nl/onderzoeken/archief/2.21.175 (nrs.49, 60 Meyer Ranneft)
  • http://resources.huygens.knaw.nl/bwn1880-2000/lemmata/bwn1/welter

Over Welter: Van Lidth de Jeude: “Als persoon mag ik hem gaarne, maar als staatsman deugt hij niet!” (Kersten p.373).

Westendorp, Herman Karel (A'dam, 1868 – A’dam, 17-4-1941)
Bestuurslid van de NJV1, 1937-1940

Zoon van Herman Karel (1824-1873), lid van de financiële firma Westendorp & Co., en Maria Johanna De Monchy (1834-1890).

Na het gymnasium te Amsterdam ging zoon Herman aldaar rechten studeren (1886) en was medeoprichter van het studentenblad Propria Cures. 1893 promoveerde hij op de dissertatie “Het Huwelijk der Koningin”, en was advocaat tot 1900, toen hij de leiding van de familiefirma op zich moest nemen. In 1926 gaf hij zijn positie daar op om zich geheel aan de studie van Aziatische kunst te wijden.

In 1917 trouwde hij Johanna E. Osieck.

Hij had al een kleine collectie Franse en Nederlandse schilderkunst uit de 19e eeuw verzameld en begon ca. 1907 Japanse kunst te kopen, terwijl de belangstelling voor de ‘japonaiserieën’ juist begon af te nemen. Van 1912 tot 1927 was hij secretaris, vervolgens tot 1941 voorzitter van de “Vereeniging tot het Vormen van een Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst” en wist die verzameling aanzienlijk uit te breiden. In 1918 werd hij de eerste voorzitter van de “Vereeniging van Vrienden der Aziatische Kunst” (de VVAK), dat jaar opgericht door ir. H.F.E. Visser en de verzamelaar G.J. Verburgt om de belangstelling voor Indische, Chinese en Japanse kunst te bevorderen. Een paar jaar later volgde Westendorp E. Heldring op als voorzitter van de Commissie van Toezicht op de Rijksacademie van Beeldende Kunsten. Zij hadden jaren samengewerkt. Met enig gezag kon Westendorp  dan ook in 1928 bij de opening van een tentoonstellingszaal van de VVAK in de genoemde Rijksacademie te Amsterdam zich kritisch uitlaten over de musea die nog steeds geen Oost-Aziatische kunstwerken kochten.

1930-’31 ging hij op ‘aankoop-expeditie’ naar het Verre Oosten (Ned.-Indië, China, Japan, Ceylon en Cambodja), met zijn vrouw, de schilderes Betsie (Betsy) Westendorp-Osieck die een reisdagboekje bijhield (deels bewaard in de bibliotheek van het Rijksmuseum; het begint abrupt, 19-11-30, in Kyōto), en met H.F.E. Visser, ten behoeve van een beoogd Museum voor Aziatische Kunst te Amsterdam. Dat museum werd in 1932 door Visser en Verburgt opgericht, met als onderdak het Stedelijk Museum in de hoofdstad. Visser werd de eerste conservator. “Westendorp beschouwde het museum als zijn levenswerk” (resources.huygens.knaw.nl).

Westendorp verzamelde o.a. Chinese, Koreaanse, Siamese en Hindoe-Javaanse kunst, vrl. ceramiek en lakwerken.

In 1933 publiceerde hij Japan bij Gebr. Dobbelman, Nijmegen, met een inleidend woord door de Japanse gezant Naokichi Matsunaga. Men zou het, ondanks het formaat, een handboek kunnen noemen, waarin opvalt dat hij de 16e eeuwse krijgsheer Hideyoshi “een der allergrootste figuren in de geschiedenis van Japan” noemt (p.13b). Maar op de laatste bladzij geeft Westendorp wel een waarschuwing: “Uit het verleden doemt de figuur van (Hideyoshi) op en werpt zijn schaduw over Azië. En over de wereld, wellicht!” (p.82). Deze had destijds niet alleen Korea, maar ook China willen veroveren.

Over de Japanse politie schrijft hij dat die uitstekend georganiseerd is en “er bizonder op gesteld is tot in de puntjes ingelicht te zijn aangaande het doen en laten van in haar land vertoevende vreemdelingen.” (p.40b).

Na de aardbeving van 1923 was Tokio in zeven jaar herbouwd: “een nieuwe stad (…). Een Amerikaanse stad, maar geen mooie stad.” (p.75b).

Westendorp ontving in binnen- en buitenland meerdere onderscheidingen. Zo was hij Ridder in de Orde van de Nederlandsche Leeuw, Officier in het Legioen van Eer, en ontving nog in april 1940 de gouden museummedaille van het Rijk. Dat jaar stelde hij om gezondheids-redenen zijn mandaat bij de NJV1 ter beschikking. Het jaar daarop overleed hij.

In 1968 ontving het Rijksmuseum, waar het museum voor Aziatische Kunst was ondergebracht, bij legaat van mw. Westendorp-Osieck de hele verzameling Westendorp.

Publikaties

Meerdere artikelen waaronder:

  • “Vervalschingen van vroege Chineesche ceramiek en grafplastiek”, in: Maandblad voor Beeldende Kunsten, 6:359 ff; 1929).
  • “Het karakter der oude Japansche pottenbakkerskunst, in het bijzonder die der Thee ceremonie”, in: Maandblad voor Beeldende Kunsten, 7:133-145; 1930).
  • Japan (De wereld in beeld, album III), Nijmegen, 1933 (geïll. met zes aquarellen van B.  Westendorp-Osieck op een reis door Japan gemaakt en met 75 foto’s).
  • “Chineesche ceramiek” in: Oosthoek’s geïllustreerde encyclopaedie, Bd.3, Utrecht, 19333.

bronnen

Over Westendorp : “een onzer terecht bekende Amsterdammers van geboorte, van opvoeding en van geest. (…) Zijn smaak was voortreffelijk (…)” (E. Heldring, 1941)

Een portrettekening in krijt door Betsy Westendorp-Osieck van haar buurman, prentenverzamelaar en lid van het Kon. Oudheidkundig Genootschap, Johan Bierens de Haan, van begin 1945, in W.J. van Bennekom, Met rustig gemoed?: Het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap tijdens de Duitse bezetting, Amsterdam, 2023, p.160. 

Westra, Harmen(Den Haag, 1883- Den Haag, 1959)
Bestuurslid van de NJV1 1937 - 1942.

Zoon van Coert Westra, fabrikant (vermoedelijk van een fabriek van minerale wateren, een klein jaar eerder, 1882, te Den Haag geopend), en Johanna R.M.G. Rikkers. Hij trouwde Stéphanie Dom en ze kregen vier kinderen .

Hij volgde het Gymnasium te Nijmegen, studeerde vervolgens rechten in Leiden en promoveerde daar op stellingen (1907). Na een verblijf  in Nederlands-Indië (1908-1915) studeerde Westra Japans te Leiden en promoveerde in 1917 in de rechten (staatswetenschappen) te Utrecht. 1918-1920 was hij secretaris-tolk bij het gezantschap te Tokio onder D. Baron van Asbeck. Vanaf 1920 terug in Ned.-Indië werd hij lid van de Volksraad (tot 1924) en werd in 1921 Rechtskundig leraar aan de Opleidingsschool voor Inlandsche ambtenaren te Magelang. In 1923 hield hij een lezing voor de Bandoengse studentenvereniging over ‘De positie van Japan in de Stille Zuidzee’ waarin hij o.a. opmerkte dat Japan met de 21 Eisen die het in 1915 aan China had gesteld, de kans op vriendschap met dat land voor jaren had verspeeld. Ook stelde hij dat niet voor de overbevolking van Japan hoefde te worden gevreesd als dat land haar landbouw had geïntensiveerd. Hij geloofde dan ook niet in Japanse “inmenging in buitenlandse aangelegenheden”. Het volgende jaar werd Westra buitengewoon hoogleraar Indisch staatsrecht op de T.H. Bandoeng. Vanaf 1931 was hij lid van de conservatieve Vereeniging Indië-Nederland (Taselaar p.330). En vanaf dat jaar was hij tot 1942 hoogleraar Staatsrecht voor Ned.-Indië en Adat-recht te Utrecht, een benoeming waar enkele betrokkenen wel hun twijfels over hadden gezien zijn vele nevenactiviteiten en wat opvallende verschijning (hoge hoed, monocle; Fasseur 1994:432). Niettemin doceerde hij in Utrecht ook Japans in de jaren 1933-’36, als opvolger van J.L. Pierson. 

In 1938 doceerde hij Indisch staatsrecht aan de Landbouw Hoogeschool, Wageningen, en de Hoogere Krijgsschool te Den Haag.  Hij was  president van de Algemene Nederlandsche Verkeersfederatie, lid van het Institut International Colonial, en voorzitter van de afdeling Utrecht van “Onze Vloot”. Vanuit zijn belangstelling voor Japanse en Chinese kunst had hij ook China bezocht.

Vanaf 1939 zat Westra met T. Goedewaagen en dr. J.H. Carp in de redactie van de anti-democratische stichting ‘De Waag’, die enkele fascistische brochures publiceerde (Knegtmans p.23). Een paar weken na de bezetting in 1940 ontving Rijkscommissaris Seyss-Inquart hem op de thee op Kasteel Oud-Wassenaar, met enkele andere uitgesproken nationaal-socialisten onder wie de professoren J. de Vries, F. Muller en J.J. Schrieke (Indisch staatsrecht), en T. Goedewaagen. Westra was voor Seyss-Inquart de kandidaat voor het secretariaat-generaal van Justitie als Schrieke die functie niet aan zou nemen maar deze laatste bezette uiteindelijk de post op 1 juli 1941. Volgens Schrieke was Westra “niet goed genoeg, teveel NSB-er.” (Knegtmans, p.28,37,127 & zie De Bruijn e.a.).

6 sept. 1941 uitte Westra in een artikel in Het nationaal dagblad: voor het Nederlandsche volk een andere mening over Japan’s buitenlandse politiek dan in zijn lezing van 1923: “De zin voor machtsuitbreiding was in de vroegste tijden van Japan reeds bekend” en de schepping van de staat Mandsjoekwo was een reactie op het dreigende verlies van een van Japans belangrijkste afzetgebieden, nl. China, dat met Amerikaans en Engels geld zijn eigen industrialisatie kon gaan organiseren. Er dreigde ook gevaar voor ons Indië “welks politiek door Amerika werd gedicteerd.” Zijn sympathie voor de NSB leidde echter tot conflicten met studenten. 

Westra werd de NSB-burgemeester van Den Haag, 1942-’45. Hij was een actieve Jodenvervolger maar het kleine NSB-contingent op het Haagse stadhuis liep stuk op de stille tegenwerking van de gemeentelijke bureaucratie. Beauftragte E. Schwebel vreesde een blamage voor de NSB in Den Haag en probeerde in te grijpen (Romijn, p.380). Maart 1945 ging “de manifest onbekwame” Westra met ziekte-verlof.

Na de bevrijding belandde hij met Mussert, Blokzijl en andere NSB-ers in de Scheveningse gevangenis. Tegen Westra, gehater dan de NSB-burgemeesters van Amsterdam en Rotterdam, Voûte en Müller, eiste het openbaar ministerie in eerste instantie de doodstraf. Het Hof veroordeelde hem tot twintig jaar; dit werd in cassatie twaalf jaar. In 1951 kwam hij voorwaardelijk vrij (Romijn pp.662-663).

Trouw aan zijn principes werd hij daarna actief voor oud-Oostfront-strijders en NSB-ers.

publikaties
Artikelen in Asiatic Review, de Indische Gids, enz.

bronnen

  • Bruijn, J. de, e.a. (red.), Colijn: bouwstenen voor een biografie, Kampen, 1994.
  • Fasseur, C., De Indologen. Ambtenaren voor de Oost, 1825-1950, Amsterdam, 1994. 
  • Knegtmans, P.J. e.a., Collaborateurs van niveau. Opkomst en val van de hoogleraren Schrieke, Snijder en Van Dam, Amsterdam, 1996.
  • Otterspeer, W., Het horzelnest – De Leidse universiteit in oorlogstijd, Amsterdam, 2019.
  • Persoonlijkheden in het Koninkrijk der Nederlanden in woord en beeld (…), Amsterdam, 1938, p.1626.
  • Romijn, P., Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen tijdens de Duitse bezetting, Amsterdam, 2006.
  • https://nl.wikipedia.org/wiki/Harmen_Westra

Over Westra : “Hij schreef niets van belang”, aldus J.C. van Oven, oprichter van het Nederlands Juristenblad, en in 1957 minister van Justitie (Otterspeer p.217).